Verhalen - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Verhalen

Nieuwendijkers

Verhalen

De kleuterschool van Erica van Vugt

Ooit, in juni 1965, heb ik een ‘fotolijstje’ gevlochten in de kleuterklas van Mevrouw de Kam.
Daar kwam de ‘luchtfoto’ van de kleuterschool in. Die vond ik bij het uitzoeken van mijn zoldertje.
Ik heb het lijstje met ansichtkaart gefotografeerd. De kaart zelf heb ik nog  gescand.
Ik stuur beide op. Wellicht kan de kaart toegevoegd aan de andere beelden van Nieuwendijk.

Groet,
Erica van Vugt
(Frans en Marie van Vugt-Verdoorn, mijn moeder woont nu op Singel 6)
Amersfoort

 


 

Erwin van der Meulen herinnert zich de Doe Maar tijd

De term vroeger is voor de 40+ ers nu al rond de jaren 70-80 dat ze in het sport - uitgaans - alleen op straat kwamen. Vind het persoonlijk jammer dat internet nu niet 20 jaar eerder bestond. Reden dat ik jullie aanschrijf is een idee waar ik al jaren mee rondloop en alleen via via wel eens op een
contact stuit. De meeste kans dat ik iemand tref is via schoolbank. Zelf kom ik uit Hank en het lag voor de hand dat we als jeugd gingen stappen bij Titanic en de Nieuwendijkers daar ook kwamen om dan verder rond te hangen in De Kelder.
Door de week gingen we echter, om onze opgedane vriend(in)en te bezoeken naar Nieuwendijk met wat uitschieters naar Werkendam.
Als jongeman vroeger bezochten we "het bruggetje" en voor de Xinix om buiten beeld te blijven van de ouders. Ach ja je bent jong en gehuld in spijkerjack met Doe Maar erop en de Rebellenvlag waren we bijna een gang.
Persoonlijk ken ik nog namen als "De Bof" Bové meen ik. Jacco en Theo van Maastricht, maar de dames waren en lagen natuurlijk in het middelpunt.
Via de MSN, Facebook en dergelijke zijn er nog een handje vol contacten, maar alle inwoners zijn veelal naar andere plaatsen verhuisd.
Weet nog dat er een leuke meid woonde in de voormalige gemaal. Ik had verkering met ene Marion van Vught, er was een tweeling die ik elke zondag bezocht op de tennisbaan te Hank. In ieder geval bergen namen die nu inmiddels allemaal aardig zijn vervaagd. Ben echter wel benieuwd hoe het iedereen is afgegaan. Het laatste dat ik op de brommer (Honda MT-5) heb bezocht zal rond 1984 zijn geweest toen ik mijn eerste auto kocht, wel nog een paar keer een rondje heb gereden, maar toen uiteindelijk het stappen heb verlegd naar af en toe Gorinchem en voor de rest Conpasa, Huis ten Deijl, Sandokan, Positive Force allemaal in Raamsdonksveer.
Uiteindelijk ben ik na vakantie met mijn ouders in Spanje teruggekomen en zag bij de buren 2 huizen verderop na een vakantieliefde een leuke blonde meid. Laat nu net zij daar logeren voor een week en er een verjaardag vallen. Bij de buren verderop raakte de wijn op en ik zou wel even Sangria halen. Aan mijn huidige vrouw Nancie gevraagd of ze even meeliep.

Nu 4 kids ( 21jr jongen, 19jr dochter, 11jr jongen, 9jr dochter) en woon in een boerengehucht Drouwenermond. Dat ligt helemaal in de kop van Drenthe tegen de provincie Groningen tegen Stadskanaal aan. Mijn oudste dochter gaat samenwonen na zomer en ze hebben al een huis gekocht in Warffum (tegen Delfzijl aan bij de Waddenzee)
Oudste zoon is in afwachting wat de woningmarkt gaat doen en kijkt dan verder.
Nah, ja. Ik ga afsluiten en wellicht kunnen jullie iets met meisjes(achternamen) doen.
Oh ja en ik heb gekocht een Honda MT5 uit 1981 voor restauratie......... vroeger was alles toch beter.

Groetjes,
Erwin van der Meulen [vdmeulen.nl@gmail.com]

Ho Tang Ting, Oerieknoerie en de Fordjes

Nog eens een keer het bijnamenregister doorbladerend kwam ik de naam Ho Tang Ting tegen en het viel mij op dat er geen 'eigenaar' achter stond. Ik dacht, ik bel m'n moeder; Jenneke van Job de Mol (nieuwe naam) boer Job van der Stelt uit d'n Buitendijk. Nu blijkt dat het eigenlijk Ho tan ting moet zijn en dit komt van de heer Pruisen, voornaam wist m'n moeder niet meer. Deze meneer Pruisen had moeite met de letter 'd' en riep ooit eens tegen zijn paard "Ho tan ting, toe nie zo tartel want ge zeit net zo tartel es m'n tochter". Mijn beide ouders hebben nog bij mesjeu van Es in de klas gezeten en zei noemde deze beste man destijds Oerieknoerie.
Nog een kleine aanvulling op het ontstaan van een oerNieuwendijkse bijnaam.
De Fordjes.
Mijn vader Aoi d'n Ford, was als klein manneke helemaal gek van de vrachtauto van mijn opa Wim, maar was duidelijk nog te klein om met zijn 6
jaar al te mogen rijden. Wat deed mijn vader... Hij nam een groot deksel (van een pan) en ging daar dan mee over de dijk "rijden" Lopend deed hij dan de Ford van zijn vader na en antwoordde ook steevast op de vraag Aoi wa doe de nou?. "Ik zei unne Ford" en van daar de bijnaam De Fordjes.
Volgens mij staat mijn oud buren Pleuntje en Chiel Fut (Versteeg) uit d'n Buitendijk er ook nog niet op, maar ik kan me vergissen tsijn hjeal wa noame netuurluk, ik hoap in ieders geval deggu d'r wa oan het. Tis misschiems wel leuk om noggus mee m'n voader en moeder wa verhoalen op te schrijvu en aon jullie deur te meelu, of nie dan?

Gegroet
Soartje van Aoi de Ford en Jenneke van Job de Mol.

Bijnamenpoëzie

Aan de rand van onze Biesbosch,
ligt ons dorpje Nieuwendijk.
En dat kleine dorpje was vroeger veel
bijzondere namen rijk.

Ik kan het echt niet laten
daar vanavond met jullie over te praten
Het zijn namelijk de scheldnamen
die bij mij boven kwamen.

Dus mensen zet je schrap,
ik ga met jullie in ons dorp op stap.
Heel wat namen laat ik de revue passeren,
misschien kunnen wij er nog van leren.

Ik noem ze van vrouw of man,
dus luitjes daar gaan we dan.
Urjaan Kets en Boenselpotje
Leen Pulp en het Ijzerenpotje

Janus den Droel en Jan de Far
Je raakt er haast van in de war.
Urjaan Boes en Fijke Mop
De sjurken en Sjaan de Krop

Merieneke Stapel en Jan Hut Hut
Clara den Boender en Jantje Fut
Joor Stront en Wout Schrap
Jan Tjunk en Aas Klap

Ja en ik weet er nog meer !!!!
Leen Blink en de Knijnen Peer
En of ik er nog wat van snap!!!
Je had ook nog Wim Klos en Jan Pap

De Klurmen, Koolzakken en Kees Kladdeke
Janus Pak en Udepaddeke
Lebbeketienus en Jantje Pol
Ho tang Ting en Dirkse Drol

Hoe meer ik er over ga praten
Denk ik ook nog aan Pit van Katen
Mesjeu den Oester, Reiger en de Polliehond
Zij kwamen zo uit ieders mond

Dan had je ook nog Rijke Joeps en de Koelepik
Wat hadden wij om deze namen schik
En misschien weten jullie ook nog
van De Haringslikker en De Ijzeren Hertog

En mijn blik wordt steeds ruimer
Als ik denk aan Aart den Drieduimer
En geloof maar niet dat je er bent
Je had ook nog Jan de Haan en Huib Cent

En dan is mij ook nog vergunt
te melden namen als Wim den Ezel en Leen Pepermunt
En ik maak echt geen abuis
Als ik vertel van Wimke en Drikkeske de Muis

En tot mijn spijt!!!
Noemde ze er ook nog een Aaike de Geit.
Zo kan ik wel door blijven drammen,
Over Dries de Carro en de Bombammen

En dan schiet mij ook nog in het bolleke
Van Issemuis en Tus Nolleke
Geloof maar niet dat ik nu stop
We hadden ook nog Merien de Grentklauwer en Aasje Dop

Cnelia den Bol, Arjaan Klauw en de Sokkebaas
En nog is het einde niet aan dit relaas
Ik fantaseer er echt niet op los
Als ik noem Janus de Kip, Jan Fooi en Huib Sjors

En dan noem ik nu nog met gemak
Henk de Kosmos, Maar Duuk en Lies de Kwak
Gofke Bal, Peer Lut en als laatste van de groep
Ons allerbekende Bartje Poep.

Gijs de Moppenkakker kwam ook nog voor
Drik den Brak en Poeperesien, ga zo maar door
Keksiedewoutje, de Ringting en Dirk Petoet
Tus Jotteke en Peer den Hietiet is ook goed.

Aai Fik, Hannes den Dappere en Rocuske Brij
Zijn de volgende in de rij
Dan nog vier vrouwen op een rek
Annie Kool, Pitte Kloe, Jaantje Tits en Bet Spek

En voordat we gaan pauzeren
Hier nog enkele om het niet af te leren
Bet Kedon, Dolledien, de Schoenpik en Jan Tuut
Jonge jonge we zijn de hele avond zuut

Mensen misschien heb ik jullie versteld doen staan,
wat men vroeger had voor naam.
Maar wist je dat vroeger veel van deze namen,
bij de dokter in zijn patienten boekje voorkwamen?

Maar gelukkig is het tij gekeerd,
en de scheldnamen dus afgeleerd.
Wel hoop ik dat jullie hebben genoten,
Ne deze scheldnamen nog eenmaal uit mijn brein zijn ontsproten.

Misschien kun je hier iets mee, met vriendelijke groet een echte Nieuwendijkse, geboren en getogen
Marjo Straver Boterblom
Biesboschstraat 15


Op zoek naar Corrie Heijstek

Hallo, mijn naam is Hans.
In 1953 met de watersnood was ik in militaire dienst bij de verbindingstroepen. In de nacht van Zondag op Maandag na de overstroming in Nieuwendijk
kwam ik aan in Werkendam. In een soort groetenschuit, volgeladen met communicatiemateriaal voeren wij (5 militairen) in het donker naar Nieuwendijk. De mannen die ons roeiden wisten in het donker Nieuwendijk niet te vinden, na heel lang roeien kwamen we toch in Nieuwendijk aan. De radio-installatie konden we in de kerk plaatsen met een antenne vanaf de toren gespannen. Voor dat alles klaar was verhuisden we naar een gemaal. een grote ronde ruimte. Deze ruimte was ijskoud, iemand had een klein kacheltje maar daar kon je nog geen kubieke meter mee verwarmen. Ondertussen kregen wij het in onze natte kleren erg koud. Gelukkig voor ons konden wij toen met onze zend- en ontvangapparatuur naar Hotel van den Heuvel.Van daaruit werden de berichten ontvangen en verzonden. Onze apparatuur kreeg zijn voeding uit accu, die bijgeladen werden door een aggregaat. Een zekere Hannis, (volgens een gekregen ansichtkaart Hannis Visser Duijzer uit Almkerk) wilde graag deze accu,'s verzorgen, dan had hij wat te doen zij hij. 's,Avonds liepen wij wat over de dijk en hadden al gauw contact met diverse meisjes van onze leeftijd, namen weet ik niet meer.
Een meisje woonde toen op Dijkje 6, haar voornaam was Corrie, achternaam waarschijnlijk Heijstek. Mijn vraag is,kennen jullie haar, leeft zij nog.
Ik zou nl. graag met haar eens in contact komen.
Ik hoop dat jullie iets weten en mij terug willen mailen.

Met vriendelijke groet,
Hans Houtkamp.
email: j.houtkamp@hccnet.nl

Koninklijk bezoek in Goezate

Toevallig kwam ik op jullie site en ik heb met een Nieuwendijkse jaren gewerkt( Adrie de Pender - de Graaff)
Zal wel een bekende voor jullie zijn onder de oudjes!  De koningin zou op werkbezoek komen in Werkendam en ook Adrie stond te wachten tot de helikopter zou landen op het voormalige voetbalveld,waar nu het bejaardenhuis Goezathe staat.
Naast dat veld stonden hoge bomen die veel blad verloren. Toen zei Adrie op zijn nieuwendijks: Ze hadde weleens magge vège veur da miens. En da miens dat was de koningin.
We hebben dubbel gelegen.
dus ook een werkendammer kan om een Nieuwendijkse lachen
miens  mens
vège    vegen
deinsdagmèrge naor de mert  dinsdag morgen naar de markt
Veel succes met de site.

groetjes van Marja Kappel (een werkendammer)

Draaginsigne voor Drik van Breugel

NIEUWENDIJK, 11 okt 1994 - Burgemeester Dorland van Werkendam speldde donderdag 6 oktober 1994 deze onderscheiding op de revers van Drik van Breugel (67). Hij kreeg dat insigne naar aanleiding van zijn verwondingen, opgelopen tijdens de 'Tweede Politionele Aktie' in 1949 in het toenmalige Nederlandsch Indië. Met een schotwond in de borst en enkele maanden later het verlies van zijn linkerbeen, heeft hij een zware prijs betaald voor zijn dienstplicht.
Ondanks die verwondingen is hij nog steeds dankbaar voor de ervaringen, die hij als broekie van nauwelijks 20 heeft opgedaan in de 'Gordel van Smaragd', zoals Indië door vele Nederlanders nog steeds met nostalgisch heimwee wordt getypeerd. Die heimwee slaat dan eigenlijk op de vooroorlogse periode, toen de koloniale structuren nog probleemloos functioneerden. Met de Japanse bezetting en de opkomst van Soekarno's onafhankelijkheidsstrijd spatte die oosterse droom in miljoenen scherven uiteen, daarbij vele mensen - Indonesiërs en Nederlanders - geestelijk en lichamelijk diep verwondend. Velen lieten het leven en vooral de altijd nabije dood, loerend uit de bush-bush, uit die vriendelijk wuivende klapperboom of gewoon vanaf de sawah-veldjes, maakte die knapen van nauwelijks 20 in een klap volwassen. Ook voor de vrijheidsstrijders was de dood een dagelijkse metgezel. Er was nauwelijks kans op overleven bij de botsingen, de haat zat zo diep, dat ze zich letterlijk doodvochten. Berucht zijn de namen van kapitein Raymond Westerling en Ponke Princen. Westerling die zonder pardon opkwam voor zijn manschappen en meermalen flink over de schreef ging bij vergeldingen; Princen als de man die deserteerde en later overliep naar de TNI (Tentara National Indonesia) Sukarno’s vrijheidsstrijders. Drik's verhaal is er een van de velen die ik in de afgelopen jaren al heb gehoord van oud-KNIL-ers en in al die geschiedenissen valt één ding bovenal op: hun bijna eeuwige verbondenheid met de bevolking en Indië. Het kon dan ook niet uitblijven: een bezoek aan Indonesië in 1978 en het emotionele weerzien met het land, dat voor een groot deel zijn leven heeft bepaald, ondanks zijn verblijf van nauwelijks 2 jaar. Foto's, films en aantekeningen markeren die periode en zijn latere bezoek.

'Donderse Brak'

Hij kwam op in Nijmegen bij het roemruchte Regiment Stoottroepen op 5 juni 1947. Na de opleiding, waarbij al vast stond dat ze naar Indië gingen, vertrok de lichting op 5 november met het troepentransportschip 'Volendam' met in totaal 1500 man aan boord naar Batavia. Een reis van nauwelijks 3½ week, maar door averij, opgelopen in het Suez-kanaal, werden het er 6. In Batavia stonden een tweetal vrienden (Hans Groeneveld en Jo van Breugel) hem op de kade op te wachten, maar ze hadden hem niet opgemerkt. Hij sloop in een omtrekkende beweging achter ze en toen ze na enige tijd foeterden: "Waar blijft diejen donderse 'Brak' nou" , joeg Drik ze de stuipen op het lijf met zijn begroeting in plat Nieuwendijks. De omstandigheden aan boord waren erbarmelijk. Bij z'n aankomst was hij bijna 27 pond gewicht kwijt, "...en dat van een manneke, dat van huis uit al vel over been was", grinnikte hij. Na aankomst gingen ze door naar Makassar, een havenstad op het zuidwestelijke puntje van Celebes, waar een acclimatiseringskamp was ingericht. Daar leerde hij ook kapitein Westerling kennen. Tijdens de aanpassingsperiode leerden de groentjes uit Holland te overleven in de tropen en de kneepjes van de guerilla-strijd. Na enkele maanden gingen ze vervolgens per DC-3 naar Semarang op midden-Java voor het zware werk. We spreken dan over medio 1948. Hij herinnert zich vooral het dualistische karakter van de Indische samenleving. Een bevolking die aan één kant 'senang' (lief, aardig) was voor de Hollanders, maar ook de wreedheid van de TNI, die bij gelijktijdig bij diezelfde bevolking kon rekenen op brede steun.

De dood als metgezel

Voor Drik ging het voor het eerst fout op 29 januari 1949 tijdens een actie in een kampong in Bantoel. Bij inspectie van de hutten kwamen ze in het onderkomen van de 'kapala kampong', zeg maar de burgemeester. Daar hing een levensgroot portret van Soekarno aan de wand en Drik zei tegen z'n makker Cor Schellekes: "Hier valt weinig goeds te verwachten". Vrijwel direct viel hem een vierkant gat op in de grond, aan de rand van de hut en Drik liet zich daar in zakken. In het licht van z'n lantaarn ontwaardde hij ondergronds een kompleet wapenarsenaal ... en een schim. In een fractie van 'n seconde waarschuwde hij zijn makkers, brulde "datang", wat zo ongeveer betekent: 'kom maar op, dat ik je bij je donder vat', knipte het licht van z'n lantaarn uit en liet zich opzij vallen. Het schot trof hem vol in de borst, onder de long. De schutter ontkwam en Drik werd afgevoerd naar een hospitaal in Semarang. Het was niet zijn eerste confrontatie met de dood. Die kwam eerder die maand. Zijn groep liep in tirailleurslinie (breed verspreid) naar een verdachte kampong in de buurt van Djokjakarta. In de alang-alang (hoog gras) zochten ze dekking. Liggend onder een klapperboom bespiedde hij zijn omgeving en keek ook automatisch naar boven. Hoog in de boom zag hij de sniper (sluipschutter), loerend naar zijn naderende makkers. Drik verstijfde van schrik. Voorzichtig tikte hij zijn KNIL-maat Kasran aan en wees naar boven. Die wees naar zijn pistool en vervolgens naar de sniper. Maar zomaar iemand uit een boom schieten was voor onze Nieuwendijker op dat moment teveel. Kasran bedacht zich toen geen ogenblik en vuurde, zonder ook maar een moment te twijfelen. De scherpschutter plofte dood neer naast de beide militairen. Het verhaal komt er zeer geëmotioneerd uit. Een doodgewone dorpsjongen uit het Land van Heusden en Altena leerde de keiharde realiteit van de oorlog kennen. Al even dramatisch was zijn verhaal over de dood van de NAC-voetballer Piet Mak. Ze stonden pal naast elkaar toen een daverend schot een einde maakte aan diens leven. Piet was de eerste maat die in zijn bijzijn stierf. Zijn gemoed schiet nu nog vol bij het vertellen van dit verhaal.

Op een mijn
Op 17 juni 1949 reed Drik als brenschutter op een van de zes brencarriers (gepantserde rupsvoertuigen met een mitrailleur) ter beveiliging van een konvooi van Djokjakarta naar Kalioerang (Java). De weg was ondermijnd met een vliegtuigbom, die met een trekdraad vanuit de rijstvelden tot ontploffing werd gebracht, een oude maar zeer effectieve truc van de TNI. De klap was immens. Drik en zijn luitenant werden zwaar gewond uit het voertuig geslingerd, waarbij hij ontdekte, dat het met z'n linkerbeen helemaal fout zat. Dat bungelde er hopeloos aan. Hij was in een beekje beland, dat al snel rood kleurde van het bloed. Razendsnel ingrijpen van een 'hospik' voorkwam dat hij ter plekke doodbloedde. Een zestal opgeroepen Mosquito jachtvliegtuigen mitrailleerden de rijstvelden schoon, maar van de TNI-ers werd geen spoor meer gevonden. In het hospitaal in Semarang werd het been geamputeerd en voor Van Breugel was de oorlog in Indië voorbij. Drie maanden later keerde hij met de Johan van Oldebarneveld en vele honderden gewonden terug naar Nederland, waar een 're-amputatie' werd uitgevoerd. De provisorische ingreep op Java werd hier vakkundig afgewerkt: het botte stompje werd opnieuw geopereerd en keurig  eivormig afgerond, zodat hij later gemakkelijker met een prothese  zou kunnen lopen.

Laat
Beide verwondingen waren nu aanleiding voor de minister van defensie om - 45 jaar na dato - Drik van Breugel te eren met het Draaginsigne Gewonden. Een (te) late erkenning van de onschuld van die duizenden dienstplichtigen, die niets anders deden dan de politieke  besluiten van het parlement en de regering uitvoeren, tegen de op dat moment al heersende wereldopinie in. Voor Drik liep het nog redelijk goed af, maar heel wat kameraden, jongens van nauwelijks 20, kunnen het niet meer navertellen. Voor hen komt de erkenning veel te laat.

Ton Kuppens

Killelaantje geopend doorBurgemeester van de Kil

KILLE - Ze waren altijd al Werkendammers, die lui van de Kille en overschrijding van de gemeentegrens tussen de Kille en Nieuwendijk (toen nog gemeente Almkerk) was immer een riskante aangelegenheid. Vrouwelijk schoon van 'de Nieuwendijk' verkeerde niet met mannen van 'de Kil' en omgekeerd evenmin. Overtreding van die ongeschreven natuurwet leidde immer tot hoon, spot en schande of tot strafexpedities van beide zijden, waarna bij 'Sjareltje' de tijdelijke wapenstilstand overgoten werd met een biertje. Honderden verhalen over die talloze veldslagen tussen de mannen van 'De Kil' en 'De Nieuwendijk' in vroeger jaren, worden nu nog op verjaardagen en in de diverse clubhuizen met smaak verteld.

Gemeentelijke herindeling
Toen Nieuwendijk in 1972 tot de gemeente Werkendam ging behoren, beschouwde 'De Kil' dat als de genadeklap voor 'Den Dijk'. De Kille had de Nieuwendijk geannexeerd, heette het. Nieuwendijk zag dat ietsjes anders. De Kille werd eindelijk uit zijn eeuwenoude isolement verlost, schamperde men daar. Niet langer moesten ze de bewoonde wereld zien te bereiken via sluipwegen door de Biesbosch of via Werkendam; Nieuwendijk opende zijn zwaar verdedigde grens en bood De Kille een vrije toegang tot de beschaafde wereld. Feit is, dat aan al die broedertwisten toen gaandeweg een einde kwam. Gemengde huwelijken lokten niet langer kruistochten uit en zelfs wederzijdse toetreding in elkaars verenigingen was bespreekbaar. Nieuwendijkers wijzen echter niet alleen de gemeentelijke herindeling aan als oorzaak voor de intredende vrede maar ook het geld, het 'slijk der aarde'. De Kil verkwanselde medio 70-er jaren, z'n fraai ogende, maar verder nogal gammele dijkhuisjes voor dik geld aan randstedelingen en streken vervolgens neer in de fraaie nieuwbouw, met doorzonkamer toilet en douche en voor de meeste koters een eigen kamer. Luxe die aan de Kildijk nauwelijks bekend was, grinnikten die Nieuwendijkers. Ze liggen nu nog in een deuk als ze herinneringen ophalen aan 'lui van de Kil' die 's-avonds door hun (nieuwbouw-) tuin dwaalden op zoek naar het kleinste kamertje. Maar dat is allemaal verleden tijd. Het harmoniemodel heeft de tegenstellingen uitgepoetst en het streekdialect hoor je nog nauwelijks aan de Kille. Maar soms komt die oude strijdgeest weer even uit de fles.

Nieuwe 'eigen' weg

Zo ook een jaartje of twee geleden. Willem Ouwerkerk, een van de laatste 'Killer'-autochtonen en gelukkig bezitter van zo'n inmiddels fraai herbouwd dijkhuis aan de Kildijk, kocht toen met zijn buren, na bemiddeling van de 'burgemeester van de Kille' Arend Bosboom, een enorme lap grond, grenzend aan hun kavels. Willem ontkurkte samen met Jasper en de rest van de buurt broederlijk een flesje, om de aanwinst te vieren en zie daar: ineens verscheen die ouwe doodgewaande 'Kille-geest' grijnzend in een wolk van geestverruimende vochtdampen ten tonele en stookte het revolutionaire vuurtje weer op. Een eigen weg, verhard, verlicht en met een eigen naambordje - te onthullen door hun bloedeigen burgemeester, moest de aloude onafhankelijkheidsdroom nieuw leven in blazen. Zo gezegd zo gedaan. De buurt lapte spontaan en in de illegaliteit werkten ze zich de blaren op de handen. Betonnen poertjes werden gestort, het pad werd met behulp van bevriende wegenbouwers in het duister verhard, een handige handelaar schuimde stad en land af voor nostalgische lantaarnpaaltjes en bij een van de broeders werd illegaal stroom afgetapt voor deze straatverlichting. Op zaterdag 11 juni 1994 was het moment suprème aangebroken. De pers kreeg pas op het allerlaatste moment een seintje; de 'burgemeester' moest uit zijn tuin gesleept worden (hij was 't vergeten); kratjes bier werden koud gezet en een fles champagne werd (niet in Nieuwendijk) aangeschaft. In processie toog de buurt om ongeveer 19.00 uur naar de ingang van het nieuwe laantje, ruim een uur te laat (de schuld van de 'burgemeester van de Kille'). Na ontroerende toespraken van Jasper: 'eindelijk hebben we onze eigen ontsluiting' en Arend (de burgemeester) moest deze het straatnaambordje onthullen. Hij kwam niet verder dan het onderste touwtje. Moeder natuur had hem niet al te rijk gezegend met lengte en dus was vereende hulp van de buren nodig, ter verheffing van zijn edele lijf, om ook de bovenste touwtjes te bereiken. Na enig gesjor en gesteun lukte het hem om het bordje te onthullen en daar prijkte trots de naam: 't Killelaantje.
Ga nu niet op de gemeenteplattegrond zoeken naar dat laantje, want het pad is 'eigen weg' en dus niet officieel, maar het mag een voorbeeld zijn voor de gemeente. Daar waar die niet veel verder komt, dan een lantaarnpaal om de 100 meter, waarvan de helft om 11 uur uitgaat, is hier sprake van een zee van licht, 'n baken voor het vliegverkeer (Daar ligt 't Killelaantje) maar ook het toppunt van energiebesparing, want niet alleen draait slechts één man op voor de stroomkosten: alle lantaarns zijn tevens voorzien van zuinige spaarlampen. Daar moest dus stevig op gedronken worden...

Ton Kuppens


Henk Leene en het bijnamenregister

Nog een keer dat bijnamenregister. In de inleiding wordt de behoefte aan bijnamen  verklaard uit het feit dat veel Nieuwendijkers door het leven moesten met dezelfde familienaam. Zonder bijnamen zou je al die Van der Stelten, Groenevelden en Van Breugels inderdaad niet uit elkaar hebben kunnen houden. Toch is die praktische noodzaak maar een deel van de verklaring.  Er prijken immers ook mensen met een zeldzame familienaam op de lijst. Zo scharrelde er destijds maar één Pelikaan rond op het dorp, bij mijn weten, en toch werd hij al snel  Sjarreltje genoemd. Er moet dus sprake zijn van een ongewone creativiteit op dit gebied, een bijzonder Nieuwendijks naamgevingstalent.  Let ook eens op de grote variatie in type: de gewone beroepsaanduidingen (Jo de Kapper, Jan de Slager), de meer fantasierijke verwijzingen naar iemands beroep  (Huib Cent, Drikske van’t Winkeltje), soms met oudtestamentische bijklank  (Hannes Licht en Kracht),  de zinspelingen op iemands uiterlijk  (‘t Zwart Jantje) of gedrag (Ton t’Ouwehoer),  de patronymica of vadernamen (Wim Pauke, Chiel  van Nelleze),  en zo meer. Er zijn bijnamen waar een mooi verhaal aan vastzit,  maar er zijn er ook waarvan  vermoedelijk niemand meer de herkomst weet. Hoe begrijpelijk  of onbegrijpelijk  ook,  zo’n  bijnaam  betekende dat de drager of  draagster  meetelde in de gemeenschap.  De reikwijdte mag  zich  soms hebben beperkt tot het schoolplein (den Oester of de IJzeren Hertog alias de Natte Geit), zoals ook grotestadskinderen  nu eenmaal bijnamen verzinnen voor hun leraren. Maar de actieradius van de meeste Nieuwendijkse bijnamen was toch het dorp als geheel. Onder je bijnaam speelde je je rol aan de Kil , het End en de Straatweg. Zo werd er over je gesproken en zo hoorde je erbij. En dus was zelfs de grofste bijnaam een eer, in zekere zin. Niet iedereen was er misschien  even blij mee, maar beter zo bekend dan doodgezwegen. Wie als grijze muis door het leven gaat,  vindt de dorpsgemeenschap geen bijnaam waard.  

Kortom, in dat bijnamenregister zit een sociologische doctoraalscriptie,  zoveel interessante aspecten zitten eraan. Enige haast lijkt me bij zo’n  studie  dan wel geboden, want als ik zie hoeveel bijnamen ik zelf nog weet uit mijn eigen Nieuwendijkse kinderjaren, en hoe weinig nieuwe namen daar, verhoudingsgewijs,  in de volgende zestig jaar zijn bijgekomen, dan moet dat aardige verschijnsel nu toch enigszins op z’n retour zijn.

Het meest boeiende aan het register blijft, dat het de herinnering aan mensen levend houdt. Uiteindelijk gaat het niet om de bijnamen zelf, maar om de mensen die erachter schuilgaan.  Daarom vind ik het jammer dat bij sommige nummers de echte naam ontbreekt. Eigenlijk zou daar ook het geboortejaar en eventueel het sterfjaar van de betrokkene bij moeten staan, wat mij betreft, maar dat is misschien te veel gevraagd. Toch hoopte ik zeer dat iemand de burgerlijke-standnaam  van Kees en Pleun Sabel nog zou weten,  wier bijnaam  ik zelf  aan de lijst heb toegevoegd.  Het waren mensen zonder kinderen, meen ik, en ze woonden in de jaren veertig  naast groenteboer Wim Pauke. Heetten ze misschien Van Rosmalen, of herinner ik me dat verkeerd?  Is die Henk van der Zouwen (de hekkensluiter van de medewerkers aan het register)  nog een echte Pauke?  Dan zou hij het moeten weten!

Henk Leene (1937)

P.S. Zie via Google als voorbeeld van een mooie bijnamenlijst ook: Bijnamen in Rijssen.



Overvaren bij Kijfhoek

Ik weet niet of het nog actueel is maar ik weet wel het eea over kijfhoek. Uit de tijd dat er nog tij was…….
Als je bij Kijfhoek wilde overvaren, moest je keihard “Ovér!!!!” roepen!!  Dat kwam Keske van ’t kefoek, of z’n familie kijken wie er over wilde… Overigens was dat wel een punt of je met eb of vloed over wilde. Bij eb dachten we weleens, we kunnen het zo te voet oversteken, maar de blubber weerhield ons ervan. Ik ben een aantal keren met mijn vader, Leen Ebert sr. overgevaren om een telegram te bezorgen op de boerenverdriet, of andere boerderijen. Of samen met mijn neefs Anton en Hen Ebert om koeien op te halen of weg te brengen… Verder was er altijd een enorme rietschelf als er weer riet gesneden was. En uiteraard bergen rijshout voor de zinkstukken. Later toen er geen tij meer was en de brug er lag (zoals nu) gingen we er met heel veel nieuwendijkers en killenezen zwemmen.  
Wij kwamen er nogal eens. Maar ja de biesbosch was dan ook ons “avonturengebied”!! Tja de biesbosch ik kan er uren over vertellen…….Als je er meer over wil weten dan moet je maar een mailtje sturen.

Leen Ebert

Chiel in het leger

Het is op de Nieuwendijk gebeurd het is wel schokkend maar waar. Chiel de Pender kreeg een oproep, dat was zeer onwaarschijnlijk. Maar na een patat met of zonder bij Pelikaan, tegenover de school bij de stoep (de oude woning van mesjeu van Es) daar werd dit wonder ten voeten uit besproken in bijzijn van Chiel zelf !!!! Allen spraken tegelijk. Was dit zo,n nieuwe gedachte dan?
Was het nooit eerder gebeurd? Natuurlijk wel! Nieuwendijk heeft zijn soldaten geleverd' Dat was het niet maar wat dan het antwoord zal duidelijk zijn---- Chiel---- Zeg Chiel wat denk je zelf van dit vooruit zicht. Tot onze verbazing,het werd heel stil, kwam het antwoord, "Ik ga" dat gaf wel een schok velen waren onder de indruk van zo,n koen besluit. Maar ik ben over zes weken weer thuis. Chiel ging,en wij wachten af. De eerste melding was Amsterdam daar was ruimte genoeg dachten wij jawel.
Zes weken na zijn vertrek was de Pender weer thuis, hoe kon dat?
Chiel jongen vertel!!!" Wanneer ga je weer terug naar Amsterdam". Ik ben ontslagen uit dienst,hoe dan vertel eens.?
Toen hij in dienst begon hij moest vroeg in de morgen aantreden met al de jongens. De Pender je haar is te lang werd gezegd. Hij naar de kapper heel de dag zoek. De volgende dag aantreden. De Pender waar was je gister? Naar de Nieuwendijk bij G. Kant. Zijn eerste straf en er volgen er vele.
Bij een mars commando hoofd der colonne links dramde onze Chiel rechtsaf. Apeldoorn bellen bestond nog niet, dus Chiel ging in de bak!
Schiet oefening nummer1 Chiel achter het geweer hij richtte op de instructeur en vroeg moet ik zo schieten,de man werd wit van angst en wist niet beter te doen dan een rapport opstellen. U raad al wat er komt In de bak. precies! Met handgranaten gooien was het ook al mis, die kende hij nog van de oorlog, een busje met een houten steel ja dat wist hij.
Maar die eenden eitjes "Wat mot ik met die vuile aaier". Weer in de bajes. Ademloos zaten wij naar Chiel te luisteren. Er zijn nog vele anekdotes toe te voegen alleen al als je denkt aan het kazerne plein na bevelen ontvangen te hebben die alle man schappen duidelijk moest zijn laat onze Chiel een kanjer van een boer over de binnen plaats klinken. Of, zeggen ze in Amsterdam, hij liet een agrariër uit, hoe ook, het recht moet zijn loop hebben en zo kwam hij weer in de nor. Veel is er nog aan toe te voegen maar Chiel had de
slag gewonnen Na langdurig overleg van de legerleiding werd hij ontslagen. Na dit verhaal was de cafetaria te klein een groot gejuich barst los. Toen de rust was weer gekeerd gingen ook wij naar huis.
H van Daalen
Diejen H. van Daalen zit uit zunne nek te lukken met zijn verhaal: Chiel in het leger
Dat was Nico de Pendern, oftewel Nico de zeikerd. Hedder gelijk weer unne bijnaom bij.
En Nico was binnen zes weken uit dienst, omdat hij steeds zeikte waar ie stond. en de leste keer sloeg tie een officier plat. Officieel istie wegens S5 op grond van heimwee uit dienst gegaan.

Wees gegroet,
Cornelis

Chiel Kotang

Chiel Kotang (Chiel de Pender) moest met zijn vader mee om in de Biesbosch te werken (nou was Chiel niet zoals een ander, Chiel was verstandelijk gehandicapt) Chiel had naar zijn gevoel al een hele poos gewerkt toen hij aan zijn vader
vroeg wanneer ze naar huis gingen.
Wel, Chiel, M'n jongen zei z'n vader, als het brood op is dan gaan we pas naar huis. De rest laat zich raden Chiel at al het brood op en ging naar huis!! Waar gebeurd!.

Kees Struik

Snul

NIEUWENDIJK, 8 NOV 2001 – Menige 55-plusser likt nog de lippen af bij de gedachte aan de winterse kost met de naam ‘snul’. Vlak na de slacht van het eigen varken werd dit gerecht gemaakt, maar eigenlijk weet niemand meer hoe. De schoonfamilie van hoofdredacteur Ton Kuppens bracht ‘snul’ regelmatig op verjaardagen ter sprake. In de veronderstelling dat het een eigen verzinsel was liet Ton het onderwerp liggen. Toen hij het ook tegen kwam op de Nieuwendijk Sijt, de digitale spreekbuis van Nieuwendijkers, werd ik, als voormalig vegetariër, op onderzoek uitgestuurd. De 88-jarige Anna Wijnans-Groeneveld kon mij uiteindelijk alles vertellen over ‘snul’.
“Twee keer per jaar, in november en in februari, kwam de slager bij ons thuis om een varken te slachten. Iedereen die zelf slachtte hield er standaard twee varkens op na. Eén voor de slacht en één voor de verkoop,” begint de zeer vitale Anna Wijnans haar verhaal. Met een touw om de voorpoot werd het varken naar het washok gesleept om daar op de cementen vloer de laatste adem uit te blazen. De hammen en de zijden werden gerookt, het overige vlees werd gebraden en in een flinke laag vet voor langere tijd bewaard. Gewekt werd er nog niet in de jonge jaren van mevrouw Wijnans. Dat kwam later pas en het vlees werd daarmee een stuk smakelijker dan het vlees dat langere tijd in het vet had gelegen

Ontbijt met kaantjes
Het gerookte en gewekte vlees diende om de winter door te komen. Voor directe consumptie waren het gerecht ‘snul’ en de kaantjes, de overblijfsels van gesmolten reuzel. Mevrouw Wijnans: “Mijn broer vond ‘snul’ het ergste wat er bestond en hij at het beslist niet. Om tussen de middag niet om te vallen van de honger at hij daarom ‘s morgens wel twaalf boterhammen met stroop en warme kaantjes. De meisjes in ons gezin maakten dat om 4.00 uur klaar, wekten om 4.30 uur de jongens zodat zij met een gevulde maag om 5.00 uur aan de slag konden.”
Voor zonsopkomst met warme kaantjes ontbijten, daar moet tegenwoordig toch niemand meer aan denken. Van het boerengezin Groeneveld, uit de polder Kijfhoek, werd overdag echter behoorlijk wat lichamelijke inspanning gevergd. Een stevig ontbijt was dus wel op z’n plek. De oudere zoons begonnen de dag met het overvaren van de knechten uit Nieuwendijk om vervolgens samen met hen de hele dag op het land aan de slag te gaan. De jongere kinderen gingen naar school. Op extra grote klompen met daarin speciale leren sokken liepen de kinderen dagelijks een uur door de modder naar school en een uur weer terug. Omdat er thuis genoeg hulp was mochten de jongste meisjes, waaronder Anna, tot hun veertiende naar de basisschool blijven gaan. Daarna was het melken en karnen geblazen. Én ‘snul’ maken in november en februari!
‘Snul’ werd vlak na de slacht bereid. De tong, de milt, een stuk van de lever en ‘het sokje’ werden een paar uur in een emmer zout water gelegd om het bloed eruit te laten trekken. Op de vraag wat ‘het sokje’ precies is, komt Anna Wijnans niet verder dan: “een lange reep vlees, niet de darmen of de spieren ofzo.” Gelukkig bracht slagerij De Kwant uitkomst: ‘Het sokje’ is een oude benaming voor het longhaasje. Voor een ieder die het vlees gewoon van de slager betrekt en niet van de eigen slacht is er overigens slecht nieuws. De slager mag de milt van een varken niet meer verkopen. De tong, de lever en het longhaasje zijn wel leverbaar.

Het recept
Kook, van het varken, de tong, de milt, een stuk van de lever en het longhaasje gedurende een uur in vers water met wat zout. Snij vervolgens alle vlees in reepjes. Voeg uien, zout, peper, laurierblad en een scheut azijn toe en laat het geheel nog een half uurtje trekken. Een groot deel van het water is nu verdampt. Meng het resterende vocht aan met aardappelmeel. Serveren met aardappelen en eventueel wat jus. Voor de liefhebbers: smullen maar!
Zelf maakt mevrouw Wijnans nooit meer ‘snul’. ’Snul’ hoorde echt bij het zelf slachten van het varken. Om alles apart bij de slager te gaan halen vindt ze maar niks. Erg chique was ‘snul’ overigens niet. Mensen die op de boerderij van de familie Groeneveld te gast waren kregen dit maal nooit voorgezet. Men wilde niet het risico lopen dat iemand het niet lustte. Gasten kregen peren met spek voorgezet. Niet de peren van tegenwoordig,, ontdaan van steel, schil en klokhuis. Nee, de peren werden in de schil gekookt en als zodanig opgediend. (Uit Altena Nieuws 9 november 2001, Corine Verweij)



Dokter Bouwkamp. Van huisarts in Nieuwendijk tot filosoof

Al jaren is hij geen huisarts meer in Nieuwendijk en toch valt zijn naam nog zeer regelmatig. Dokter Bouwkamp, een spraakmakend persoon met een geheel eigen visie op het leven. Hij nam daarover geen blad voor de mond en kon zo mensen aardig van hun stuk brengen  Altena Nieuws sprak met hem over zijn periode als huisarts en “zijn zoektocht naar de rest van het bestaan na het dokterschap”.
Bouwkamp groeide als enig kind op bij zijn oom en tante, in het glazen huis van een notarisgezin. Tien dagen na zijn geboorte, in 1924, is zijn moeder overleden. Zijn vader overleed 3 maanden daarna. Zijn pleegouders stimuleerden hem tot een studie medicijnen, waar hij, door allerlei nevenactiviteiten, 10 jaar de tijd voor nam. In 1956 werd hij huisarts in Nieuwendijk. “Allemaal huisjes met vrouwen en kinderen, want veel mannen werkten buitenaf. Op vrijdagavond kwamen ze thuis om hun gerief te halen. Dat was voor veel vrouwen een probleem.” Begin zestiger jaren kwam de pil op de markt kreeg dokter Bouwkamp het middel in handen dat bij vrouwen de angst voor een te groot gezin wegnam. Hij werd naar eigen zeggen “pilgek”. Jonge meiden, bij wie hij maar enigszins een verlangen naar seksualiteit bespeurde, kregen van hem al de pil mee. Op den duur kwamen ook de moeders om het nieuwe voorbehoedsmiddel. Bouwkamp was voor gezinsbeheersing. Het aantal ongewenste zwangerschappen daalde van 8, naar 2 op de 10.

Rutgerstichting

Het baanbrekende werk van Bouwkamp sprak zich al snel voort. Tijdens een regenachtige voetbalwedstrijd achter zijn huis werd hij gevraagd voor de Rutgerstichting de pil te gaan verstrekken. Dit resulteerde in het jarenlang houden van een wekelijks spreekuur in Gorinchem. Wanneer een voorbehoedsmiddel een enkele keer het bedoelde werk niet had gedaan, voelde Bouwkamp dat voor een deel ook als zijn probleem en adviseerde mensen naar Engeland te gaan. Het land waar vrouwen toentertijd voor een abortus terecht konden.
Bouwkamp heeft naar eigen zeggen “duizenden vrouwen geholpen met minder ellende door het leven te gaan”. Hij heeft dit duidelijk als een plezierige kant van zijn vak ervaren. “Als dokter zie je echter ook meer leed dan je als mens kunt hebben. Het moeilijke van het huisartsenvak zit ‘m in de onoplosbare problemen zoals kanker en burned out. De reguliere geneeskunde heeft daar geen antwoord op.” Als Bouwkamp de huidige praktijk van een huisarts vergelijkt met die uit zijn tijd, dan ziet hij vooral overeenkomsten. Wel is het vak in de loop der jaren ingewikkelder geworden door het uitbreiden van de administratie en het grotere assortiment medicijnen. “Het blijft echter een mooi beroep vanwege de intermenselijke contacten. Je krijgt de hele mens ter beschikking; dat maakt intiem”, aldus Bouwkamp.

Schaarse vrije tijd
Naast zijn werk als huisarts gaf Bouwkamp enige tijd, samen met loco-burgemeester Biesheuvel en de hervormde predikant, het krantje “Actualiteiten” uit. De drie prominenten wilden een forum vormen voor “het dorp wat eigenlijk nergens echt bij hoorde”. Verder besteedde hij zijn schaarse vrije tijd graag aan vissen. Dat was hem echter niet altijd gegund want menig keer werd hij van zijn hengel weggeroepen om een bevalling te begeleiden. Eigenlijk kwam het erop neer dat Bouwkamp geen privé-leven had. Hij was zelden of nooit los van zijn werk en in gesprek raken met zijn 4 kinderen was er dan ook niet bij. De dienstregeling voor de zondagen, die op een gegeven moment ingesteld werd, gaf wel wat mogelijkheden voor het gezin, maar werd door Bouwkamp ook ingevuld met zweefvliegen.

Na het huisartsenbestaan
In 1984 werd de dokterscarrière van  Bouwkamp voortijdig beëindigd. Hij werd volledig afgekeurd wegens een tia (soort hersenkrampen) en had volgens artsen nog slechts 5 jaar te leven. Hij vertrok uit Nieuwendijk om te kunnen overleven. Tien jaar daarvoor had hij aan een stervende Nieuwendijker het advies gegeven naar Spanje te gaan omdat “je daar langer kunt leven vanwege het klimaat en het feit dat je de mensen niet kent en dus niet met hun ellende geconfronteerd wordt.” Hij reisde deze nog springlevende man achterna. Eenmaal tot rust gekomen had het leven in Spanje veel weg van “het vullen van de tijd tussen nu en doodgaan”. Samen met zijn partner Len kocht Bouwkamp een caravan en ging rondtrekken om te zien wat er in de wereld nog meer te koop was. Na vijf jaar reizen werd in Frankrijk een boerderij gekocht. Het werk op een boerderij nekte Bouwkamp echter opnieuw. Lichamelijk ging hij achteruit en in 1992 werd de boerderij verkocht. Bouwkamp vestigde zich samen met Len definitief op de plek die hij in de voorliggende jaren regelmatig tijdelijk als thuisbasis gebruikte; naast zijn voormalige assistente Elly Walraven. “Len en ik moesten voor ons bestaan een nieuwe vorm vinden. Ik was inmiddels gescheiden van mijn vrouw en voor Len en mij was de gebruikelijke nestvorming en het krijgen van kinderen er niet meer bij. De vraag was wat ermee te doen. Eigenlijk ben ik blijven steken in het filosoferen over de zin van het leven”, aldus Bouwkamp.

In zijn periode als huisarts is Bouwkamp naar eigen zeggen “meer hulpverlener van vrouwen geweest, dan dokter”.  Als hij opnieuw zou mogen kiezen, werd hij ook geen huisarts, maar “nadenker over het leven”. Inmiddels heeft hij zijn eigen ideeën gevormd over de ziektes waar hij indertijd geen raad mee wist en is zijn interesse voor conceptie uitgemond in gedachtes over prenataal psychologie; invloeden op de mens voor zijn geboorte. Vierentwintig uur per etmaal is Bouwkamp aan het beschouwen. ’s Nachts in zijn dromen, die hij zelf een richting geeft. Dromen zijn erg belangrijk voor hem. Hij is er dan ook zeer nieuwsgierig naar of hij zelf nog wel eens een rol speelt in het droomleven van Nieuwendijkers. Via Elly Walraven, of per brief  kan men dit aan dokter Bouwkamp laten weten!(
Altenanieuws 10 februari 2001, Corine Verweij)

Drik van Breugel: “Je blijft er aan denken, je hele leven lang..

De Indische wonden slijten nooit

NIEUWENDIJK, 31 aug 2000 - Burgemeester Dorland van Werkendam speldde op 6 oktober 1994 het “Draaginsigne Gewonden” op de revers van de toen 67-jarige Drik van Breugel uit Nieuwendijk. Hij kreeg dat naar aanleiding van zijn verwondingen, opgelopen tijdens de 'Tweede Politionele Aktie' in 1949 in het toenmalige Nederlandsch Indië. Met een schotwond in de borst en enkele maanden later het verlies van zijn linkerbeen, heeft hij een zware prijs betaald voor zijn dienstplicht die hij vervulde voor God, Koningin en Vaderland, zoals dat in die jaren heette.
Geen genade
Drik probeert zijn ervaringen als militair in Indië te relativeren, maar de herinneringen worden in de loop der jaren niet zachter. De vraag naar de zin ervan dringt zich steeds nadrukkelijker op. “Ondanks mijn verwondingen ben ik nog steeds dankbaar voor de levenservaringen, die ik als broekie van nauwelijks 20 heb opgedaan...” Het blijft stil na deze opmerking, maar uit heel zijn houding blijkt dat de prijs voor die “levenservaring” hoog geweest is. Toen ik hem 6 jaar geleden daarover sprak zat er al veel emotie in de weg en dat is er nu, anno 2000, niet minder op geworden.
Hij heeft nog altijd een emotionele band met de 'Gordel van Smaragd', zoals Indië toen met heimwee werd genoemd. Die heimwee heeft vooral betrekking op de vooroorlogse periode, toen de koloniale structuren nog probleemloos functioneerden. Met de Japanse bezetting en de opkomst van Soekarno's onafhankelijkheidsstrijd spatte die oosterse droom in miljoenen scherven uiteen, daarbij vele Indonesiërs en Nederlanders geestelijk en lichamelijk diep verwondend. Duizenden lieten het leven en vooral de altijd nabije dood, loerend uit de bush-bush, uit die vriendelijk wuivende klapperboom of gewoon vanaf de sawah-veldjes, maakte die knapen van nauwelijks 20 in een klap volwassen. Ook voor de vrijheidsstrijders was de dood een dagelijkse metgezel. Drik: “Er was nauwelijks kans op overleven bij de botsingen; de haat zat zo diep, dat ze zich letterlijk doodvochten en wij ook, want de verhalen over wat er met gevangen genomen militairen gebeurde waren afschuwelijk.” Berucht zijn de namen van kapitein Raymond Westerling en Ponke Princen. Westerling, die zonder pardon opkwam voor zijn manschappen en meermalen flink over de schreef ging bij vergeldingsacties; Princen als de man die deserteerde en later overliep naar de TNI (Tentara National Indonesia) Soekarno’s vrijheidsstrijders. Drik's verhaal is er een van de vele die ik in de afgelopen jaren heb gehoord van oud-dienstplichtigen die in Indië dienden en samen met het KNIL streden tegen de TNI en in al die geschiedenissen valt één ding bovenal op: hun emotionele band met de bevolking en het land, ondanks hun bittere ervaringen tijdens de tweede helft van de veertiger jaren. Het kon dan ook niet uitblijven: een bezoek in 1978 en het emotionele weerzien met het land, dat voor een groot deel zijn leven heeft bepaald, ondanks zijn verblijf van nauwelijks 2 jaar.

'Donderse Brak'
“Ik kwam op in Nijmegen, bij het roemruchte 5e Regiment Stoottroepen op 5 juni 1947. Na de opleiding, waarbij al vast stond dat we naar Indië gingen, vertrok onze lichting op 5 november met het troepentransportschip 'Volendam' met in totaal 1500 man aan boord naar Batavia. Een reis van nauwelijks 3½ week, maar door averij, opgelopen in het Suez-kanaal, werden het er 6. In Batavia stonden twee vrienden, Hans Groeneveld en Jo van Breugel, me op de kade op te wachten, maar ze hadden me niet gezien. Ik sloop in een omtrekkende beweging achter ze en toen ze na enige tijd foeterden: "Waar blijft diejen donderse 'Brak' (bijnaam van Drik van Breugel, TK) nou", joeg ik ze de stuipen op het lijf met mijn begroeting in plat Nieuwendijks. De omstandigheden aan boord waren erbarmelijk. Ik had veel last van zeeziekte. Bij aankomst was ik daardoor bijna 27 pond gewicht kwijt, en dat voor een manneke, dat van huis uit al vel over been was. Na aankomst gingen we door naar Makassar, een havenstad op het zuidwestelijke puntje van Celebes, waar een acclimatiseringskamp was ingericht. Daar leerde ik ook kapitein Westerling kennen. Tijdens de aanpassingsperiode leerden wij, groentjes uit Holland, te overleven in de tropen en de kneepjes van de guerilla-strijd. Nou ja, kneepjes, je hoorde het een en ander, maar wat dat echt inhield kon je nauwelijks bevatten. Bang was ik toen niet. Dat komt later, bij je eerste contacten met de ploppers. Als de kogels rond je oren vliegen. Na enkele maanden gingen we vervolgens per DC-3 naar Semarang op midden-Java voor het zware werk. We spreken dan over medio 1948.” Hij herinnert zich vooral het dualistische karakter van de Indische samenleving. “Een bevolking die aan één kant 'senang' (lief, aardig) was voor de Hollanders, maar ook de wreedheid van de TNI, die bij diezelfde bevolking kon rekenen op brede steun, afgedwongen of niet. Elke oorlog is vuil, maar er is geen smeriger oorlog dan een guerilla; voor iedereen die er mee te maken krijgt. Het verschil is dat ook de burgerbevolking, soms buiten hun wil, in de strijd betrokken raakt en gedwongen wordt partij te kiezen. En daar zijn natuurlijk dingen gebeurd die tegen de Geneefse Conventie waren, maar daar praat ik maar niet meer over. De wreedheid was er aan beide zijden. De dood was een dagelijkse metgezel.”

De dood als metgezel
Voor Drik ging het voor het eerst fout op 29 januari 1949 tijdens een actie in een kampong in Bantoel. “We waren op zoek naar verzetstrijders en wapens. Bij inspectie van de hutten kwamen we in het onderkomen van de 'kapala kampong', zeg maar de burgemeester van zo’n kampong. Daar hing een levensgroot portret van Soekarno aan de wand en ik zei tegen m'n makker Cor Schellekes: "Hier valt weinig goeds te verwachten". Vrijwel direct viel me een vierkant gat in de grond op, aan de rand van de hut en ik liet zich daar in zakken. In het licht van mijn seinlamp ontwaardde ik ondergronds een kompleet wapenarsenaal ... en een schim. In een fractie van 'n seconde waarschuwde ik zijn makkers, en brulde "datang" tegen de schaduw, wat zo ongeveer betekent: 'kom maar op, dat ik je bij je donder vat', knipte het licht van mijn lantaarn uit en liet me opzij vallen, maar ik was niet snel genoeg. Het schot trof me vol in de borst, onder de long. De schutter ontkwam en ik werd afgevoerd naar een hospitaal in Semarang. Het was niet mijn eerste confrontatie met de dood. Die kwam eerder die maand. Onze groep liep in tirailleurslinie (breed verspreid) naar een verdachte kampong in de buurt van Djokjakarta. In de alang-alang (hoog gras) zochten we dekking. Liggend onder een klapperboom spiedde ik met mijn maat de omgeving af en keek ook automatisch naar boven. Hoog in de boom zag ik hem. Een sniper (sluipschutter), loerend naar mijn naderende makkers. Ik verstijfde van schrik. Voorzichtig tikte ik mijn maat Kasran van het KNIL aan en wees naar boven. Die wees naar zijn pistool en vervolgens naar de sniper. Maar zomaar iemand uit een boom schieten was voor mij, op dat moment, onbestaanbaar. Kasran bedacht zich echter geen ogenblik en vuurde, zonder ook maar een moment te twijfelen. De sluipschutter plofte dood naast ons neer....” Het verhaal komt er zeer geëmotioneerd uit. Een doodgewone dorpsjongen uit het Land van Heusden en Altena leerde in luttele seconden de keiharde realiteit van de guerilla-oorlog kennen. Al even dramatisch was zijn verhaal over de dood van de NAC-voetballer Piet Mak. “We stonden pal naast elkaar toen een daverend schot een einde maakte aan zijn leven. Piet was de eerste maat die in mijn bijzijn stierf.... Er liggen in totaal 17 kameraden van me begraven op de Indische erevelden.” Zijn gemoed schiet nu nog vol bij het vertellen van het verhaal.

Op een mijn
Op 17 juni 1949 reed Drik als brenschutter op een van de zes brencarriers, gepantserde rupsvoertuigen met een mitrailleurs, ter beveiliging van een konvooi van Djokjakarta (Jakarta) naar Kalioerang (Java). De weg bleek ondermijnd met een vliegtuigbom, die met een trekdraad vanuit de rijstvelden tot ontploffing werd gebracht, een oude maar zeer effectieve truc van de TNI. De klap was immens. Drik en zijn luitenant werden zwaar gewond uit het voertuig geslingerd, waarbij hij ontdekte, dat het met z'n linkerbeen helemaal fout zat. Dat bungelde er hopeloos aan. Hij was in een beekje beland, dat al snel rood kleurde van het bloed. Razendsnel ingrijpen van een 'hospik' voorkwam dat hij ter plekke doodbloedde. Een zestal opgeroepen Mosquito jachtvliegtuigen mitrailleerden de rijstvelden schoon, maar van de TNI-ers werd geen spoor meer gevonden. In het hospitaal in Semarang werd het been geamputeerd en voor Van Breugel was de oorlog in Indië voorbij. Hij had toen reeds verkering en maakte zich zorgen om zijn relatie. “Ik weet nog goed dat ik met de dominee die me kwam bezoeken daarover praatte. Ik zeg tegen die man: “hoe reageert een grietje als ze ziet dat je maar één been meer hebt?” Hij krabde zich achter zijn oor en zweeg. Drie maanden later keerde ik met de Johan van Oldebarneveld en vele honderden gewonden terug naar Nederland, waar een 're-amputatie' werd uitgevoerd. De provisorische ingreep op Java werd hier vakkundig afgewerkt: het botte stompje werd opnieuw geopereerd en keurig eivormig afgerond, zodat ik later gemakkelijker met een prothese zou kunnen lopen.”

Laat
Beide verwondingen waren in 1994 aanleiding voor de minister van defensie om - 45 jaar na dato - Drik van Breugel te eren met het Draaginsigne Gewonden. Een veel te late erkenning van de onschuld van die duizenden dienstplichtigen, die niets anders deden dan de ongelukkige politieke besluiten van het parlement en de regering uitvoeren, tegen de op dat moment al heersende wereldopinie in. Voor Drik liep het nog redelijk goed af, maar heel wat kameraden, jongens van nauwelijks 20, kunnen het niet meer navertellen. Drik zucht diep en zwijgt minuten lang. “Het is een prachtig land, maar de strijd in Indië heeft diepe wonden achtergelaten, en het ergste van al: het slijt nooit....”

door Ton Kuppens (verhaal verscheen eerder in Altenanieuws)


Bijnamenblues

Ik las da bericht van Patrick vd Pijl over Aart Katje en gelijk moes ik denken aan een verhaal wat zich vele jaren geleden afspeelde.
Aart Branderhorst was indertijd nog verzekeringsagent. En als er bij ons thuis over verzekeringen gesproken werd, dan was het "Da vraag ik de volgende keer wel aan Aart Katje als ie weer komt"
Ik was toen een dreumes van ongeveer 6 jaar en wist nie beter dan dat ut Aart Katje was.
Zie daar een mooi dag, wie stond er voor de voordeur. Inderdaad, de verzekeringsagent. Ik als klen opdonderke deed de deur graag open , want nieuwsgierig was ik toen al.
Deze aardige meneer vroeg of mijn moeder thuis was. Ja hoor, ik roep ze wel effe.
Vanaf de voordeur riep ik naar mijn moeder in de keuken. Ze riep terug "Wie is dat" tja je raad al wat ik aantwoordde.
MA, het is AART KATJE, zei ik nog steeds bij de voordeur staand. Mijn moeder komt aangesneld en geeft mij een lelijke blik en zegt, het is meneer Branderhorst. Oef, wat keek hij toen kwaad naar mij.
's Avonds aan tafel wordt het verhaal aan pa verteld in bijzijn van de zussen. Wat hebben ze erom gelachen en gegierd, maar dat snapte ik niet, want mijn moeder was toch boos geworden.......
Vele jaren later snapte ik pas wat er die dag gebeurd was...

Jannie Heiblom
(de jongste van Jan de Ford, neffe Rombout)

Bij deze een verhaal wat min of meer verwant is met de bijnamen en de afkeer van die bijnaam oor sommige bezitters van een bijnaam.

Zoals jullie wellicht weten had Aart Branderhorst een enorme hekel aan zijn bijnaam. Je moest hem echt geen Katje noemen want dan zwaaide er wat. Maar zoals velen was Aart zelf nooit te beroerd om een geintje uit te halen. Zo kwam Aart op een mooie lentedag met de fiets het erf van mijn Grootvader "Piet dun Bello" opgereden. Aart was in die dagen nog verzekeringsagent en kwam de kwitantie voor de verzekeringen brengen. Toen hij het erf opreed kwam de hond van mijn grootvader hem tegemoet. Door het enthousiasme van "Pollie" geschrokken, riep Aart "schiet op lelijke Bello". Het was voor Aart dan ook even schrikken, toen mijn Oma, die uit het zicht stond maar wel alles had gehoord, Aart eens goed de les begon te lezen."Zo Aart zelf geen Katje genoemd willen worden, maar wel op anderen schelden!", Aart heeft daarop gestameld dat hij de naam van de hond niet wist en toevallig maar bello had geroepen heeft de kwitantie afgegeven en is er als een haas vandoor gegaan.

Veel plezier er mee.
Patrick van der Pijl

Mijmeringen van Arie Bakker

Zat ik daor op unne rustige zondagavond mee m'n internet te speulen. Kwam'k toch een saait tegen over d'n Nieuwendijk!As 'ne ouw Nieuwendijker zag'k daor platjes di 'k nog nie eerder gezien ha. 'Keb 24 joar in d'n nieuwbouw gewoond en d'r van alles meegemakt. Zeker de legere('kan schuin strepke vur de eerste e nie vijnden!) school mee al zun mesjeus als De Jager, Muskee, Dammers, Juffrouw Bijl (mee un aachterwerk waaraon ik nog mot denken as'k zwoar getafeld heb), van Capelle en nog een bietje van die mesjeus. Heel veul dwaol 'k trug noar de sluis woar peje gelaje wiere op schipkes van bekaant 30 ton. Mee d'n roeiboot van Dubbeldamme vanuit d'n Zevenban d'n Bleek op en rap weer trug veur da de sluisdeure weer dicht ginge. Wette gullie of'r nog fotoos of boeke zijn waor de sluizen opstoan? Wa ge ok nooit meer verget is de watersnood, deur 't water naor de school en toen zes weken geslape op de zolder van Joske Pruissen. Om kort te goan 'k zij Nieuwendijk nie vergeten. 'T dialekt spreken goat me wa moelijker af. 'Kzij dan ok al 28 joar uit d'n Nieuwendijk weg.'Kfijn't hartstikke mooi om op z'n manier nog 's wa van m'n ouw durpke te heure. 'K vroag me ok wel af wie d'n schrijver is.

Arie Bakker

Jan Westerhof

Een  wel heel markante Nieuwendijker was ik ook vergeten n.l.Jan Westerhof oftewel  "Jan de Keeas" (ik weet niet of het zo goed geschreven is).

Als kleine jongen kwam Jan met zijn ouders van het hoge noorden naar Nieuwendijk, ik dacht dat zijn vader bij het melkfabriek werkte, maar zeker weten doe ik dat niet. Hij was getrouwd met Cor Kloots uit Werkendam en heeft heel lang gewoond in de Margrietlaan tegenover het Groene kruisgebouw.Zelf werkte Jan als timmerman _aannemer samen met Wim Groeneveld en Niek Struik en hadden hun werkplaats in de Bernhardlaan, waar nu schilder Pruisen zijn nering heeft.Wij gingen daar altijd om houtkrulletje voor de witte muis. Later werkte hij bij Josje Pruisen en zat toen veel in België. Hij kon fantastisch vertellen over vroeger en je kon dan ook uren naar hem luisteren. Jan was meen ik ook mee van de eerste doelman van v v "Altena" en deed op latere leeftijd nog wel eens mee met de veteranen. Ook was Jan begaafd met een geweldige zangstem, hij had een stem als een klok en ik kan me nog herinneren dat hij in de kerk solo zong met begeleiding van O.N.S.en was jaren lid van O.K.K., al met al een zeer bekende Nieuwendijker.Waarom ze hem de Kaes noemde weet ik niet, misschien dat het model van z`n hooft er mee te maken had of het beroep van z`n vader?

Bert Branderhorst

Gerrit de Schoenpik

Nou was ik denk ik toch een paar van de bekendste Nieuwendijkers met een bijnaam vergeten op te noemen. Een hele bekende was aan het Eind toch wel onze vakbekwame schoenmaker Gerrit de Schoenpik (Gerrit van Andel). Een figuur die je aan den Nieuwendijk wellicht tegen kwam, daar hij zijn werk altijd bij z`n klanten op ging halen en ook

na reparatie weer thuis ging brengen.Zijn broer Henk was de bekende conciërge van de oude school met den bijbel en had ook de bijnaam schoenpik hoewel hij niets met schoenen ophad, alleen droeg hij ze aan z`n voeten, net als wij.

Maar dat ging zo in die tijd, dat je de bijnaam samen met je broers en zussen deelde. Gerrit struinde heel de Nieuwendijk af op zoek naar schoenen, geloof ik.

Bert Branderhorst

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu