Nijs Girrig in de dorpspolitiek - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Nijs Girrig in de dorpspolitiek

Oude tijden goede tijden
Stemmen
‘Wah doede nóu…? Ge môht híer zijn…, dèh zíede toch…!’
Wrevelig riep de oude vrouw haar man naar de stemhokjes. Meteen nadat ik hem de stemkaart in z’n handen had gedrukt, was hij – glazig kijkend – rechtdoor gelopen. Hij stond inmiddels bij het podium.
Links stonden de drie houten stemhokjes. Z’n vrouw stond in het middelste, en wees naar het rechtse hokje. De man draaide zich om en liep er sloffend naartoe. Hij pakte het aan beide kanten stevig vast. Daardoor begon de hele (toch al gammele) constructie flink te schudden.
’Nie dóen!’, zei de vrouw. ‘Stémme nou…, dáor zijn we vûr híer!’ (Hier was Tavenu). Het duurde vrij lang voordat de man het stempotlood ter hand nam. En nog langer tot hij zijn keus gemaakt leek te hebben. ‘Schiet ôp nou!’, zei de vrouw, die inmiddels bij de deur stond. Hij draaide zich langzaam om en slofte haar kant op.
Opeens begonnen de drie stemhokjes weer te schudden…, te kántelen zelfs…! Ik sprong van m’n stoel en kon nog maar net voorkomen dat de hele stellage tegen de grond sloeg. Suffig keek de man naar het vliegertouwtje, dat - strak als een snaar - uit zijn broekzak stak. ‘Dèh potlwôôd híer laote!’, riep de vrouw.

‘s Avonds rond kwart over negen zag ik het vermoedelijke resultaat van al zijn inspanningen. Op een van de stembiljetten stond, in de rechterbovenhoek, een rood krasje. ‘Ongeldig’ oordeelde de voorzitter resoluut.
Samen met hem, zaten een Nieuwendijks raadslid (van een andere partij) en ik ons in het kieslokaal al vanaf half acht aangenaam te verpozen. Dat zou nog tot negen uur ’s avonds gaan duren. Gelukkig ging de tijd best snel. Ook in de slappe periodes. De voorzitter kon namelijk boeiend vertellen. Vooral over zijn zoontje. Dat ventje had heel wat in z’n (mini) mars. En bedachtzaam was hij ook al.
‘Andere kinderen zijn zo impulsief…’, zei de voorzitter, ‘…doen als een kip-zonder-kop dán dít, en dán opeens weer dát… Die van míj niet. Die kijkt het eerst allemaal eens rustig aan…’
‘Traag jong dus…’, concludeerde Aagje. (Toen ik thuis zijn lofzang nog wat nazong).

Nogal wat stemgerechtigden begroetten het andere raadslid joviaal. (De voorzitter en ik werden aanmerkelijk vormelijker bejegend). Eén vrouw noemde mij bij binnenkomst wél hartelijk bij m’n voornaam. Blij verrast werd ik ook wat losser, maar dat kwam me duur te staan.
Toen ze al in het stemhokje stond, zag ik op de stemoproep haar meisjesnaam. ‘Heet jij zó…? Wat een rare naam…!’, zei ik lachend. ‘Sprak degene die zélf ‘Girrig’ heet…’, voegde ik er jolig aan toe. ‘Wilde ik nét zeggen…’, riep ze vanuit het stemhokje lachend terug.
Zodra daarna de laatste stemmer vertrokken was, richtte de voorzitter zich tot mij: ‘Dat kán natuurlijk niet, hè…? Wat daar zojuist gebeurde…’ Ik vroeg wat hij bedoelde. Hij: ‘Op de kandidatenlijst staan, en dan je naam hard door de zaal roepen, terwijl er mensen aan het stémmen zijn!’
Toen ik ook dát thuis vertelde, zei Aagje: ‘wát een ***!’ (Censuur).

De eindtelling verliep probleemloos. Bijna alle stemmen telden. Op die van dat krasje na, dan… En er waren er nog een stuk of drie, waar onduidelijkheid over was. Bij ‘mijn’ lijsttrekker was namelijk op een paar biljetten zijn voorletter rood gemaakt. (Hij heette Onno).
‘Wat doen we daarmee?’, vroeg de voorzitter. ‘Eigenlijk moet natuurlijk het rondje van het stémvakje worden ingekleurd…’, zei het raadslid. ‘Áfkeuren dan!’, zei ik grootmoedig. (Want het ging over míjn partij).
Tijdens de eerstvolgende fractievergadering vertelde ik deze anekdote. (‘Ze hadden jouw ‘O’ ingekleurd, Onno!’) Iedereen lachte. Op de lijsttrekker zélf na. Die fronste zijn wenkbrauwen. ‘Had je gewoon góed moeten keuren..! Doe ik zélf ook. De bedoeling van de kiezer is duidelijk… Dáár gaat het om! Góed onthouden, de volgende keer!’
Maar toen was hij al geen lijsttrekker meer.

Een dûrp van niks
 
 
‘Zijde gij nog lid…?’ Rond half 7 ging de telefoon. Keske aan de lijn. Op zijn (nogal directe) vraagstelling reageerde ik met: ‘Eh…, hoezo?’
 
Keske: ‘Wilde dan messchien op de lijst? De verkiezinge komme d’r aon…’ Ik: ‘Tsja…, als bladvulling?’ ‘Nee, nie es bladvulling. Misschien kande in de raod, want we zuuke unne nieuwe Nieuwendijker. Jan stopt ‘r mee’. (Hier klonk duidelijk wat teleurstelling in zijn stem door). ‘En nou dochte we aan jóu… Mer… zijde gij lid…? Want dèh was nie hjièèmel duideluk…’
 
‘Nou…, als ik geen lid meer zou zijn, wil ik het wél weer worden…’ Verwijtend keek ik Aagje aan (die niet-begrijpend haar schouders ophaalde). Door haar toedoen had ik nog maar kort daarvoor (om te bezuinigen) mijn lidmaatschap opgezegd. We zaten op zware lasten, waren volop bezig met gezinsuitbreiding, plus… ik deed, volgens haar, toch ál die jaren al niks met m’n lidmaatschap.
 
Dat klopte. Ik was een ‘dood lid’, ging nooit naar bijeenkomsten. De laatste keer was al van zo’n 10 jaar geleden. Dat was trouwens meteen ook de eerste keer geweest. Die avond sprak prof. dr. I.A. Diepenhorst in Tavenu. Ik was meteen verkocht (want ik ben dol op sierpraters) en werd na afloop dan ook meteen lid.
 
In grote lijnen legde ik Keske de situatie uit. Toen was hij even stil. ‘Ôh…, feitelijk níe dus…Tsja…, ègge gin líd zijt…, dan worrut netuurlijk een aander verhaol…’ Ik keek toen blijkbaar niet zo vrolijk, want Aagje vroeg met haar ogen wat er was. Ik maakte een korzelig gebaar terug.
 
‘Afijn…, mer ge willut dus wél wjièèr wórre… Nou…, dan hoeft dèh volges míjn nie zo’n problêêm te zijn…. Mèr ge hoevut netuurlijk ôôk nie aon de grwôôte klok te hange… Ge hwêurt nog vamme…’
 
Nog dezelfde avond prijkte, na een korte afwezigheid, mijn naam weer op de ledenlijst. Daarna ging het snel. Ik bezocht de ene (dorps)vergadering na de andere en werd als vrijwilliger aangewezen om het (concept)verkiezingsprogramma van commentaar te voorzien. Mijn epistel werd door het dorpsbestuur welwillend ontvangen en ingestuurd naar het gemeentelijk partijbestuur. Een paar weken later was – in Tavenu – de ledenvergadering, waarin het verkiezingsprogram zou worden vastgesteld.
 
Ik zat (bijna) achter in de zaal, geflankeerd door Keske en Aaike. ‘Dan gaan we nu over tot vaststelling van het verkiezingsprogramma’, zei de voorzitter. ‘Wacht even…’, zei de secretaris, ‘…ik heb hier nog een ingekomen stuk uit Nieuwendijk…’ Even was er wat geroezemoes op het podium. Behalve de voorzitter, bogen nu ook de twee wethouders (die eveneens achter de tafel zaten) zich over het papier. Een van de wethouders trok het naar zich toe en zei na vluchtige lezing: ‘Zit er eigenlijk állemaal al ín!’
 
De voorzitter bracht het programma in stemming. Het werd unaniem aangenomen. ‘Dochte we hjièèl wa te hébbe…’, fluisterde Aaike in m’n oor, ‘…en nou staon we nôg vur lúl!’
 
Het volgende agendapunt was de (concept)kandidatenlijst. Keske stond op 3, ik op 6. Ik was kapot van de zenuwen. Weer boog de secretaris zich naar de voorzitter. Ik kon niet horen wat-ie zei en dacht: ze hebben het ontdekt…! ‘Eén van de kandidaten is helaas nog te kort lid’. Maar even later werd de lijst (onder applaus) bij acclamatie vastgesteld.
 
Mijn positie was niet echt riánt te noemen. Ik stond dus op 6, en we hadden er op dat moment ook 6. Dus we mochten geen zetel verliezen.
 
Toen tijdens de verkiezingsavond (in de hal van het gemeentehuis) de uitslagen een voor een binnenkwamen, was ik dan ook tot het uiterste gespannen. Blijkbaar was dat niet onopgemerkt gebleven. Opeens voelde ik een zware klap op m’n schouders. Naast me stond een (vanuit een ander regiodorp naar Nieuwendijk gemigreerde) aannemer. ‘Bende zénuwachtig…?’ schreeuwde hij in m’n oor. (Want we stonden dicht op elkaar, met veel geroezemoes). ’Nérgis vur nôdig… Gij komter hèus wel ín hor…, ben ik écht nie zo báng vur…’
 
Ik volstond maar met een wat bescheten glimlachje. ‘En és ge d’r dan goed en wel ín zit…’, vervolgde hij, ’…dan mag ik toch wél hòpe dègghe níe es de rést zijt… Méé al d’r páppe en náthouwe…! Dít weer un bietje ôplappe en dèh ôôk mer weer wah ôpkallefaotere… Daor is dun Nieuwendijk nie mee gebáot!! Hij keek me indringend aan. ‘In al die jaore dèk ’r nou won, ister níks veraanderd. Níks…! ’t Is gewôhn un dûrp van níks…! Hóe ge ôôk rijdt…, áltijd komde wjièèr op dèh zéllufde punt uit…’ Mismoedig haalde hij zijn schouders op. ‘Plátgooie môtte ut! Álles môt plát, aanders worrut níks…! Hjièur dut…?’
 
Intussen was de burgemeester achter de microfoon verschenen. ‘Eerst de voorlopige einduitslag van Lijst 1…’
 
‘Kek nou naor Tavenu…’, schreeuwde de aannemer weer in m’n oor: ‘…ze zulle best zegge: och es we ut híer nog wah aonpakke en dáor nog wah verbouwe, dan…., nééje…! Níks d‘rván… Plát!!... ‘t Zéllufde geldt vur de klèuterschôôl…, ôôk plat…! Álles plát…! Aanders krijge we nóóít een mooi centrum!!’
 
Opeens hoorde ik applaus. Aaike trok aan m’n jasje: ‘Zèuve zèètuls! Ge zitter ín man… Gefilliciteerd!’
Terug naar de inhoud