Nijs Girrig in de dorpspolitiek - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Nijs Girrig in de dorpspolitiek

Oude tijden goede tijden
Een dûrp van niks
 
 
‘Zijde gij nog lid…?’ Rond half 7 ging de telefoon. Keske aan de lijn. Op zijn (nogal directe) vraagstelling reageerde ik met: ‘Eh…, hoezo?’
 
Keske: ‘Wilde dan messchien op de lijst? De verkiezinge komme d’r aon…’ Ik: ‘Tsja…, als bladvulling?’ ‘Nee, nie es bladvulling. Misschien kande in de raod, want we zuuke unne nieuwe Nieuwendijker. Jan stopt ‘r mee’. (Hier klonk duidelijk wat teleurstelling in zijn stem door). ‘En nou dochte we aan jóu… Mer… zijde gij lid…? Want dèh was nie hjièèmel duideluk…’
 
‘Nou…, als ik geen lid meer zou zijn, wil ik het wél weer worden…’ Verwijtend keek ik Aagje aan (die niet-begrijpend haar schouders ophaalde). Door haar toedoen had ik nog maar kort daarvoor (om te bezuinigen) mijn lidmaatschap opgezegd. We zaten op zware lasten, waren volop bezig met gezinsuitbreiding, plus… ik deed, volgens haar, toch ál die jaren al niks met m’n lidmaatschap.
 
Dat klopte. Ik was een ‘dood lid’, ging nooit naar bijeenkomsten. De laatste keer was al van zo’n 10 jaar geleden. Dat was trouwens meteen ook de eerste keer geweest. Die avond sprak prof. dr. I.A. Diepenhorst in Tavenu. Ik was meteen verkocht (want ik ben dol op sierpraters) en werd na afloop dan ook meteen lid.
 
In grote lijnen legde ik Keske de situatie uit. Toen was hij even stil. ‘Ôh…, feitelijk níe dus…Tsja…, ègge gin líd zijt…, dan worrut netuurlijk een aander verhaol…’ Ik keek toen blijkbaar niet zo vrolijk, want Aagje vroeg met haar ogen wat er was. Ik maakte een korzelig gebaar terug.
 
‘Afijn…, mer ge willut dus wél wjièèr wórre… Nou…, dan hoeft dèh volges míjn nie zo’n problêêm te zijn…. Mèr ge hoevut netuurlijk ôôk nie aon de grwôôte klok te hange… Ge hwêurt nog vamme…’
 
Nog dezelfde avond prijkte, na een korte afwezigheid, mijn naam weer op de ledenlijst. Daarna ging het snel. Ik bezocht de ene (dorps)vergadering na de andere en werd als vrijwilliger aangewezen om het (concept)verkiezingsprogramma van commentaar te voorzien. Mijn epistel werd door het dorpsbestuur welwillend ontvangen en ingestuurd naar het gemeentelijk partijbestuur. Een paar weken later was – in Tavenu – de ledenvergadering, waarin het verkiezingsprogram zou worden vastgesteld.
 
Ik zat (bijna) achter in de zaal, geflankeerd door Keske en Aaike. ‘Dan gaan we nu over tot vaststelling van het verkiezingsprogramma’, zei de voorzitter. ‘Wacht even…’, zei de secretaris, ‘…ik heb hier nog een ingekomen stuk uit Nieuwendijk…’ Even was er wat geroezemoes op het podium. Behalve de voorzitter, bogen nu ook de twee wethouders (die eveneens achter de tafel zaten) zich over het papier. Een van de wethouders trok het naar zich toe en zei na vluchtige lezing: ‘Zit er eigenlijk állemaal al ín!’
 
De voorzitter bracht het programma in stemming. Het werd unaniem aangenomen. ‘Dochte we hjièèl wa te hébbe…’, fluisterde Aaike in m’n oor, ‘…en nou staon we nôg vur lúl!’
 
Het volgende agendapunt was de (concept)kandidatenlijst. Keske stond op 3, ik op 6. Ik was kapot van de zenuwen. Weer boog de secretaris zich naar de voorzitter. Ik kon niet horen wat-ie zei en dacht: ze hebben het ontdekt…! ‘Eén van de kandidaten is helaas nog te kort lid’. Maar even later werd de lijst (onder applaus) bij acclamatie vastgesteld.
 
Mijn positie was niet echt riánt te noemen. Ik stond dus op 6, en we hadden er op dat moment ook 6. Dus we mochten geen zetel verliezen.
Toen tijdens de verkiezingsavond (in de hal van het gemeentehuis) de uitslagen een voor een binnenkwamen, was ik dan ook tot het uiterste gespannen. Blijkbaar was dat niet onopgemerkt gebleven. Opeens voelde ik een zware klap op m’n schouders. Naast me stond een (vanuit een ander regiodorp naar Nieuwendijk gemigreerde) aannemer. ‘Bende zénuwachtig…?’ schreeuwde hij in m’n oor. (Want we stonden dicht op elkaar, met veel geroezemoes). ’Nérgis vur nôdig… Gij komter hèus wel ín hor…, ben ik écht nie zo báng vur…’
Ik volstond maar met een wat bescheten glimlachje. ‘En és ge d’r dan goed en wel ín zit…’, vervolgde hij, ’…dan mag ik toch wél hòpe dègghe níe es de rést zijt… Méé al d’r páppe en náthouwe…! Dít weer un bietje ôplappe en dèh ôôk mer weer wah ôpkallefaotere… Daor is dun Nieuwendijk nie mee gebáot!! Hij keek me indringend aan. ‘In al die jaore dèk ’r nou won, ister níks veraanderd. Níks…! ’t Is gewôhn un dûrp van níks…! Hóe ge ôôk rijdt…, áltijd komde wjièèr op dèh zéllufde punt uit…’ Mismoedig haalde hij zijn schouders op. ‘Plátgooie môtte ut! Álles môt plát, aanders worrut níks…! Hjièur dut…?’
Intussen was de burgemeester achter de microfoon verschenen. ‘Eerst de voorlopige einduitslag van Lijst 1…’
‘Kek nou naor Tavenu…’, schreeuwde de aannemer weer in m’n oor: ‘…ze zulle best zegge: och es we ut híer nog wah aonpakke en dáor nog wah verbouwe, dan…., nééje…! Níks d‘rván… Plát!!... ‘t Zéllufde geldt vur de klèuterschôôl…, ôôk plat…! Álles plát…! Aanders krijge we nóóít een mooi centrum!!’
Opeens hoorde ik applaus. Aaike trok aan m’n jasje: ‘Zèuve zèètuls! Ge zitter ín man… Gefilliciteerd!’
Terug naar de inhoud