Nijs Girrig in de dorpspolitiek - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Nijs Girrig in de dorpspolitiek

Oude tijden goede tijden
Crisis
‘Politie Werkendam voor jou. ’t Is privé denk ik, want hij vroeg of je hier werkte…’
‘Wát…?! Hoezó?!’, riep ik nog in de hoorn, maar ze had ‘m al doorgezet. ‘Ze’ was de telefoniste van de gemeente waar ik een parttime baan had.
‘Een ongeluk in de familie!’, schoot er door m’n hoofd. Met een wat schorre stem noemde ik m’n naam. ‘Klopt het dat u de burgemeester vervangt?’ Verbouwereerd, maar ook opgelucht stamelde ik: ‘eh…, ja’. (Burgemeesters, en dus ook hun loco’s, krijgen vaak brand- en andere meldingen door. Ik was daar nog niet aan gewend).
‘Ik vertel u dit onder de grootste geheimhouding: Er is sprake van een bommelding’. Ik: ‘Echt wáár…?’ Hij: ‘in Nieuwendijk’. ‘Nee, ik bedoel… Huh?! Wáár dan?’
‘In de Regenboogschool’. Ik voelde het bloed uit mijn gezicht trekken. ‘Maar…, zoals ik al zei: het is allemaal nog strikt vertrouwelijk!’
Ik belde Aagje: ‘Haal ze allebei onmiddellijk van school! Want er kan een bom liggen!’ ‘Wát…?!’ ‘Ja, maar niks over zeggen, want het is strikt geheim! Verzin maar wat! Maar ze nú gaan halen! Ik kom er aan’.
Een halfuurtje later stapte ik geagiteerd binnen. ‘Waar zíjn ze nou?! Ik zéi toch…’
‘Rustig maar. Ze zijn in de Hervormde Kerk. Daar zitten ze nu allemaal’. Aagje gebood me te gaan zitten. ‘Ik liep naar school, me rot verzinnend wat ik in vredesnaam moest zeggen…, kom ik een huppelend meisje tegen. Die zong uit volle borst: ‘er ligt een bóm onder de school!, er ligt een bóm onder de school!’ Ze lachte. ‘Strikt gehéim, joh…?’
Spoedberaad op het gemeentehuis: ‘En wéér in Nieuwendijk, hè?’, zei de gemeentesecretaris. Ik keek hem vragend aan. ‘Nou, dat met die tankwagen…, dat was toch óók bij jullie?’
‘O, bedoel je dát…? Zéker!’ Dat was een paar jaar eerder gebeurd. Toen kreeg de burgemeester tijdens de b en w-vergadering de melding: ‘op de A27, ter hoogte van Nieuwendijk, ligt een gekantelde tankauto met ontplofbare stoffen’.
‘Zullen we even gaan kijken?’, zei een wethouder. De burgemeester keek hem geagiteerd aan: ‘Heeft geen enkele zin… Daar kom je toch niet bij. Alles is meteen afgezet’.
‘Dat zien we dan wel… Gaan jullie mee?’ Iedereen stond op. Behalve de burgemeester. ‘Succes! Maar jullie gaan voor niks…’ ‘Zo kennen we hem weer…’, zei de andere wethouder, toen we (binnendoor) naar Nieuwendijk reden.
Vanaf de Parallelweg zagen we een compleet verlaten A27. ‘Hij had toch gelijk…’, zei ik, toen we er bijna waren. ‘We komen er niet bij. Alles is afgezet met rowili’s’. ‘Met wát…?’, vroeg de secretaris. Voor ik kon antwoorden, deed de andere wethouder dat al. ‘Wéét je dat niet…? Een rowili is een’ (nu begon hij heftig te articuleren) ‘rood-wit lint’. De secretaris schoot in de lach. Even later stapten we uit.
De wethouder die vooraan liep, sprak de dichtstbijzijnde agent aan. Na een kort gesprekje gebaarde hij dat we door mochten.
We liepen tot vlak bij de gekantelde (benzine)tankwagen. Die werd op dat moment leeggezogen. Dat gebeurde met een dikke slang vanuit een andere tankauto, die erachter stond. Op die auto stond met grote letters: ‘Milieutechniek’. Links en rechts van de tankwagens stond een waterkanon in de aanslag. Het was ijselijk stil.
Op één snerpende schreeuw na dan. Die kwam uit de keel van een agente. Maar zodra de wethouder naast me zijn pakje sigaretten terug in z’n zak had gestoken, was het alweer stil.
‘Tóen liep het gelukkig allemaal goed af…’, zei de secretaris. ‘Maar nu, met die school, is het natuurlijk nog maar afwachten…’ Dat afwachten duurde nog tot laat in de avond. Toen pas gaf de Explosieven Opruimingsdienst sein veilig. (‘Loos alarm’).
Rond half acht was ik die avond nog even poolshoogte wezen nemen. ‘Nog steeds niks gevonden…’, zei ik bij terugkomst.
‘Er kan nú toch niks meer gebeuren…?!’, zei mijn dochtertje, die (uiteraard) meeluisterde. ‘Ja, dat kan wél’, zei ik op belerende toon. ‘Het heeft soms wel dágen geduurd voordat een bom afging’.
Zij: ‘Dat moet dan toch wel ‘n héél erg lang lontje zijn geweest!’


Trouwen
‘Gaat je best lukken! Zíj is trouwens een Nieuwendijkse…’
 
Ze legde een trouwformulier op mijn bureau en weg was ze weer. De ambtenaar van de burgerlijke stand. (Kortweg: abs). Ze deelde die functie met een mannelijke collega.
 
Dat was een wat magere bezetting. Daarom moesten ook de wethouders zo nodig kunnen invallen. Kort na mijn inhuldiging werd ook ik dus bij de rechtbank als abs ingezworen.  
 
Het was bijna vakantietijd, beide ‘abs-en’ zouden weg zijn. Ik moest dus aan de bak. Al zeg ik het zelf: ik had er echt werk van gemaakt. Urenlang had ik aan een speech gewerkt. Aan de ‘administratie’ besteedde ik minder aandacht. Vlak voor aanvang vulde ik nog gauw de namen van het bruidspaar op het trouwformulier in. Daarna trok ik de toga aan en vertrok richting raadszaal.
 
Het ging eigenlijk best goed. Al struikelde ik wel bijna over de toga. (Die iets te lang was). De speech viel zo te merken in goede aarde. Maar toen kwam het moment suprême: ‘Johannes Doo, verklaart u tot uw wettige echtgenote te nemen?’: … (er stond verder niks op m’n formulier). Ik aarzelde even, maar wierp toen een uitnodigende blik op de bruidegom. Hij keek een beetje vreemd, maar zei: ‘ja’.
 
‘En u, Jannigje Doo, verklaart ú tot uw wettige echtgenoot te nemen?’: … (er stond weer niks). Ook zij zei: ‘ja’. ‘Dan verklaar ík, als ambtenaar der burgerlijke stand, dat u beiden door de echt aan elkaar bent verbonden!’
 
De bode keek me verbijsterd aan en liep naar me toe. ‘Da’s niet góed…’, fluisterde hij in m’n oor. ‘Je moet zeggen met wíe!’ Toen stonden ze al te zoenen.
 
‘Ging het allemaal een beetje naar wens?’, vroeg de gemeentesecretaris, toen ik weer was afgeschminkt. ‘Tsja…’, zei ik, en vertelde hem beteuterd wat er bijna was gebeurd. Hij schoot in de lach: ‘Dan waren ze nu met de héle zaal getrouwd geweest!’
 
Ik baalde flink. (Had ik nou maar goed naar dat formulier gekeken… Dan had ik gezien dat ik beide namen twee keer moest invullen). Maar een paar dagen later fleurde ik weer wat op: de moeder van de bruidegom had me (toch nog) een bedankkaartje gestuurd.
 
Ongeveer een maand later werd ik door een Werkendamse jongen gebeld. Of het klopte dat ik nog niet zo lang geleden een huwelijk had gesloten. Daar had hij heel positieve geluiden over gehoord. Ik deed het alleen bij uitzondering, dat wíst hij. Maar zijn vriendin en hij zouden het toch echt érg fijn vinden als ik ook hén wilde trouwen.
 
‘Daar heb je toch helemaal geen tijd voor…?!’, zei Aagje. ‘Van de zomer klaagde je trouwens nog zo dat je het móest doen…’ Ze had gelijk. ‘Weet ik wel’, zei ik, ‘maar dit stel vraagt specifiek om míj!’ ‘Nou én? Hoe weten ze dat trouwens…, dat je als abs zo goed zou zijn?’ Ik dacht even na. ‘Dat had-ie gehoord. Maar hij zei niet van wie…’ Aagje trok haar wenkbrauwen op. ‘Nou, zélf weten!’
 
‘Ik denk dat ik het toch maar doe…’, zei ik een dag later. ‘Ik vind het lullig om nee te zeggen’. De waarheid was, dat ik het heerlijk vond om blijkbaar zo populair te zijn. Die ‘bode-ingreep’ zat me nog steeds niet lekker. Deze herkansing zou - dacht ik - goed zijn voor m’n gebutste ego. Ik gaf de aanstaande bruidegom dus m’n jawoord.
 
Ongeveer een week voor de geplande datum kwam de vrouwelijke abs weer op m’n kamer. ‘Jíj doet nu dus dat huwelijk?’, vroeg ze. ‘Eh… ja’, hij wilde míj graag…’, zei ik zo bescheiden mogelijk.
 
‘Dat snáp ik…’ Ik keek haar vragend aan. ‘Volgens de planning zou ík het doen. Maar dat echtpaar wilde geen vrouw… Uit principe. Dáár werkt de gemeente niet aan mee, heb ik toen gezegd. Want dat is pure discriminatie! Maar hij liet het er niet bij zitten en belde m’n collega. Die weigerde natuurlijk’. Ze keek me indringend aan. ‘Want híj was het roerend met me eens’.
 
Bij de deur draaide ze zich om: ‘Let je nog wél even op de námen?’
 

Lijsttrekker
 
 
‘Ik heb niks tegen de heer Girrig… Maar míjn kandidaat heeft ervaring. Én… is betróuwbaar!’
 
Aan het woord was een man op de eerste rij, die voor z’n stoel stond. Binnen de partij had hij grote invloed. Al sinds jaar en dag had hij in verkiezingstijd onze partijposter voor z’n raam hangen. ‘Als hij die omruilt voor eentje van een andere partij, dan kost ons dat minstens twee zetels’, had de partijsecretaris me een keer in vertrouwen voorspeld.
 
Om de algemene ledenvergadering bij te wonen was de man naar Nieuwendijk afgedaald. Bij het agendapunt ‘Nieuwe lijsttrekker’ was hij de enige inspreker. Hij stond kaarsrecht en keek de partijvoorzitter indringend aan.
 
Die toverde een wat gemaakt glimlachje op zijn gezicht. ‘Niemand twijfelt aan zijn betrouwbaarheid…’, antwoordde hij minzaam. ‘Maar het bestuur is unaniem tot deze voordracht gekomen’. Even was het stil. ‘Zijn er wellicht nog anderen die het niet met deze voordracht eens zijn…?’ Het bleef stil.
 
De man draaide zich om en leek alle aanwezigen in het Tavenu-zaaltje even afzonderlijk aan te kijken. Toen richtte hij zich weer tot de voorzitter. ‘Tóch blijf ik vasthouden aan míjn kandidaat. Hij is al jarenlang onze lijsttrekker en, ik denk dat ik namens allen kan spreken, als ik zeg dat hij dat hij de kar altijd op een voortréffelijke manier heeft getrokken!’
 
Ik keek even hoe de kartrekker er op dat moment bij zat. Zijn rechteroog ‘ticte’ een beetje.
 
‘Dat is buiten kijf…’, repliceerde de voorzitter. ‘Nóu dan?!’ Met een breed handgebaar richtte de man zich weer tot de rest van de aanwezigen.
 
‘Hier heb ik geen zin in… Ik trek me terúg!’, fluisterde ik Aaike (die naast me zat) in zijn oor. ‘És ge ’t mer lát! Zijde nou hjiélemáol besodemíeterd?!’
 
‘Wâh isser oan de haand?’, vroeg Keske halfluid, terwijl hij zich naar ons toe boog. ‘Hij wil zegge dè tie ur mee stópt…!’ Keske keek me met een woeste blik aan. ‘Mónd houwe!’, beet hij me toe. ‘Lát ‘m toch máuwe, dieje…’ De rest slikte hij in.
 
Intussen ging het gehakketak tussen de man en de voorzitter nog door. Tot Keske opstond. ‘Lat ôhns dán mer gaon stémme, vurzitter!’ De voorzitter keek de zaal rond. ‘Wenst iemand tot stemming over te gaan…? Nee…? Dan feliciteer ik hierbij onze nieuwe lijsttrekker. Met zijn únanieme benoeming!’
 
‘Gefeliciteerd jonge!’, zei een van de dorpsvoorzitters, toen hij me na afloop op m’n schouder sloeg. ‘Bâolde van toenèt?’ Ik knikte wat stijfjes. ‘Jâoh zeetje…?! Màohkt oe eige toch nie druk, man… Ge trekt gewóón af en toe is un zwárt jaske âon… En gâot is un paor kèèr bij òòns naor de kerk…! Dan kunde nie meer kapót bij um…!’ Hij kneep krachtig in mijn bovenarm. ‘Én…, netuurluk óók nie tevéul van dieje Kúitert leeze, hè…? Want hij wéét gewoon dah gij daor unne fén van zijt!’ Hard lachend liep hij weer naar zijn groepje terug.
 
Een paar weken later trok op een zaterdagochtend de verkiezingskaravaan door Nieuwendijk. Met mij als hoofdattractie. ‘Hierachter rijdt-ie!’, schalde het uit de geluidswagen. Dat klopte. We zaten in vijf - hard toeterende - volgauto’s, en ik reed als eerste achter de (luid)spreker aan. In mijn groene Kadett, die voor de gelegenheid met lokkende partijposters was opgesierd. Met een schuin oog zag ik (onder het behoedzaam ‘remmend-rijden’) het blij verraste electoraat aan me voorbijtrekken.  
 
Dit was meteen ook my moment of glory van deze verkiezingscampagne. Want privéomstandigheden noopten Aagje en mij ons met spoed naar de andere kant van de aardbol te begeven. En de hele boel verder in de betrouwbare handen van de ervaren kartrekker te laten.
 
Toen we ruim een maand later (met een reiswieg tussen ons in) de aankomsthal van Schiphol binnenstapten, zei m’n broer: ‘Gefeliciteerd…! Je hebt er eentje bij: ácht zetels’.
 
Hij klopte me op m’n schouder. ‘Góed gedaan!’, zei hij grinnikend.
 

Kunst
 
 
‘Je kunt er riet- of korenschoven in zien, die buigen in de wind… Dat leek me wel iets voor dit gebied. Maar je kunt er natuurlijk van álles bij bedenken…’
 
De al wat oudere man zette drie kartonnen maquettes op tafel. Ze liepen op ‘in hevigte’. Bij de eerste kon ik inderdaad zien dat het (bordpapieren) graanschoven waren. De tweede had een wat meer gestileerde (strakke) vormgeving. Bij derde waren de schoven ook strak van vorm, maar hadden ze nogal grillige, tentakelachtige uitsteeksels.
 
De leden van het Gemeentelijk Kunstcomité stonden als één man op van hun stoel en bogen zich over de drie kunstuitingen. De eerste (die ‘leek’) viel al snel buiten de prijzen. ‘Dat figuratieve hebben we inmiddels wel gehád’, zei man die de reformatorische stroming in het comité vertegenwoordigde. Hij was amateur-auteur en had een aantal klinkende jeugdboektitels op zijn naam staan. ‘Daar kunnen we het gáuw over eens zijn’, beaamde zijn buurman, die met nauwelijks verhulde afschuw maquette één terzijde schoof. Hij was in zijn vrije tijd kunstschilder en zat er namens de bevolkingsgroep die ‘nergens aan deed’.
 
De overige leden waren de wethouder Welzijn, het Hoofd van de afdeling Algemene Zaken (waar alles – en dus ook kunst - onder viel) en ikzelf (als kunstminnend raadslid). Wij hadden als taak een kunstwerk te kiezen voor een al eerder bepaalde locatie: tegenover de Nieuwendijkse sporthal.
 
De jeugdboekenman schoof zijn stoel naar achteren en maakte een rondje rond de tafel. Hij bekeek de twee overgebleven maquettes vanuit verschillende posities en hoogten. Twee anderen volgden zijn voorbeeld. Alleen het Hoofd AZ en ik gingen weer zitten. Het Hoofd zakte wat onderuit en draaide een zwaar shagje. ‘Voor míj is het niet moeilijk…’, merkte hij onder het likken op. ‘Dríe! Die heeft tenminste smoel!’ Hij stak zijn shagje aan. ‘Want twee vind ik óók behoorlijk déjà vu’.
 
‘Ben ik niet met je eens!’, zei boekschrijver, die inmiddels op zijn hurken zat. ‘Nou, ík dus wel!’, zei de kunstschilder, terwijl hij een pijp opstak. ‘Twee is toch óók niet iets waar we nou op zitten te wáchten…? Kom óp…! Kunst moet verhéffen!’ Ik voelde plaatsvervangende schaamte opkomen en keek schuin naar de kunstenaar. Die vertrok geen spier. Gelukkig werd hij zwaar gesubsidieerd. (Door de provincie. Want de gemeente zou de sokkel al betalen).
 
Ik begreep dat er nu zo zoetjes aan ook uit mijn mond wat (kunst)zinnige woorden werden verwacht. ‘Misschien een rare vergelijking…’, zei ik, ‘…maar ik ben niet zo van de beeldende kunst…, meer van de muzíek…, en dan vind ik - qua toegankelijkheid -  één, zeg maar een stuk van Johann Strauss, twee een werk van Beethoven en drie een compositie van Mahler. Persoonlijk kies ik dan voor Mahler. Maar we moeten volgens mij denken vanuit ‘de Nieuwendijkers’. De meesten zouden, denk ik, voor Strauss kiezen… Maar, omdat kunst inderdaad mensen eigenlijk op een wat hoger niveau moet tillen, kies ik voor Beethoven. Twee dus. Drie lijkt me een brug te ver’.
 
‘Goeie vergelijking!’, riep de schrijver, ‘helemaal mee eens!’ ‘Dan ga ík…, denk ik…, ook maar voor Beethoven…’, zei de wethouder, die tot dan toe zijn kruit had drooggehouden. De schilder keek ons wat medelijdend aan. En het Hoofd schudde zachtjes z’n hoofd. Tegen zoveel krankjorum dilettantisme konden ze niet op.
 
‘Beeld twee dus!’, zei de kunstenaar. ‘Het zal worden uitgevoerd in staal. Ik zeg het maar even: bij de plaatsing zul je al wat roestvlekken zien, maar dat worden er natuurlijk steeds meer. Na een tijdje zal het helemaal verroest zijn. ‘Huh…?!’, liet ik me onbedoeld ontvallen.
 
‘Ja, dan pas krijgt het beeld pas het ruwe karakter dat het hóórt te hebben. En ook z’n diepe, roodbruine kleur’. Hij keek de kring rond om te zien hoe dit viel. ‘Het wordt dus alleen nog maar móóier!’, zei de schilder ostentatief in mijn richting.
 
Een aantal maanden later werd het geplaatst. Omdat ik om de hoek woonde, kon ik alles (de bouw en het commentaar) van nabij volgen. ‘Zet díejen bonk rôhst mer in Werrekendám!’, zei m’n buurvrouw, toen ze het eindresultaat in ogenschouw nam.
 
Toen we aan het eind van de middag zaten te eten, vroeg Aagje: ‘waar komt toch opeens die herrie vandaan…?’ Ik wist het ook niet. We hoorden enorm harde klappen, die nog geruime tijd nagalmden. Ik ging naar buiten en zag vanaf een afstand een groepje jongeren, die met stokken op het kunstwerk sloegen. ‘Komt van dat kunstwerk’, zei ik, toen ik weer binnen was. ‘Er staat wat opgeschoten jeugd bij… Ze gebruiken het als gong’.
 
Rond zevenen zag het er zwart van de jongeren. Ook de buurvrouw was er op afgekomen. ‘Zijn ze nou gék geworre…?! Hwéure en zíen vergáot oe!’, schreeuwde ze in m’n oor. Rond tienen werd het stil. De volgende dag laaide het (heavy metal) geluid weer op. Alleen onder schooltijd was het stil. Daarna barstte het weer los. Toen ik rond etenstijd thuiskwam, kon ik Aagje amper verstaan. En toch was het toen, volgens haar, alweer íets afgezwakt. (Om na etenstijd weer op te laaien).
 
Ook zij vond het niet leuk, maar kort daarvoor had ze zich toch nog even vrolijk gemaakt. Om een ventje van een jaar of vijf. Die was op z’n fietsje voorbijgereden, met één hand aan het stuur. In z’n andere hand had-ie een hamer. Om (vlak voor het eten) nog even helemaal los te gaan. ‘Je had dat glunderend snoetje moeten zien…!’
 
De dag daarna was er crisisberaad op het gemeentehuis. En weer een dag later werden de vijf schoven (met purschuim) volgespoten. Toen was het weer stil.
 
Heel rustig was het ook bij de officiële openingshandeling. Behalve de wethouder en wat comitéleden, waren er nauwelijks mensen op afgekomen.
 
Ook ik was thuisgebleven. En draaide - met op de achtergrond de microfoonstem van de wethouder - een elpee met ontspannende muziek. (‘Lustig im Tempo und keck im Ausdruck’). Van Mahler.
 

Stemmen
 
 
‘Wah doede nóu…? Ge môht híer zijn…, dèh zíede toch…!’
 
Wrevelig riep de oude vrouw haar man naar de stemhokjes. Meteen nadat ik hem de stemkaart in z’n handen had gedrukt, was hij – glazig kijkend – rechtdoor gelopen. Hij stond inmiddels bij het podium.
 
Links stonden de drie houten stemhokjes. Z’n vrouw stond in het middelste, en wees naar het rechtse hokje. De man draaide zich om en liep er sloffend naartoe. Hij pakte het aan beide kanten stevig vast. Daardoor begon de hele (toch al gammele) constructie flink te schudden.
 
’Nie dóen!’, zei de vrouw. ‘Stémme nou…, dáor zijn we vûr híer!’ (Hier was Tavenu). Het duurde vrij lang voordat de man het stempotlood ter hand nam. En nog langer tot hij zijn keus gemaakt leek te hebben. ‘Schiet ôp nou!’, zei de vrouw, die inmiddels bij de deur stond. Hij draaide zich langzaam om en slofte haar kant op.
 
Opeens begonnen de drie stemhokjes weer te schudden…, te kántelen zelfs…! Ik sprong van m’n stoel en kon nog maar net voorkomen dat de hele stellage tegen de grond sloeg. Suffig keek de man naar het vliegertouwtje, dat - strak als een snaar - uit zijn broekzak stak. ‘Dèh potlwôôd híer laote!’, riep de vrouw.

 
‘s Avonds rond kwart over negen zag ik het vermoedelijke resultaat van al zijn inspanningen. Op een van de stembiljetten stond, in de rechterbovenhoek, een rood krasje. ‘Ongeldig’ oordeelde de voorzitter resoluut.
 
Samen met hem, zaten een Nieuwendijks raadslid (van een andere partij) en ik ons in het kieslokaal al vanaf half acht aangenaam te verpozen. Dat zou nog tot negen uur ’s avonds gaan duren. Gelukkig ging de tijd best snel. Ook in de slappe periodes. De voorzitter kon namelijk boeiend vertellen. Vooral over zijn zoontje. Dat ventje had heel wat in z’n (mini) mars. En bedachtzaam was hij ook al.
 
‘Andere kinderen zijn zo impulsief…’, zei de voorzitter, ‘…doen als een kip-zonder-kop dán dít, en dán opeens weer dát… Die van míj niet. Die kijkt het eerst allemaal eens rustig aan…’
 
‘Traag jong dus…’, concludeerde Aagje. (Toen ik thuis zijn lofzang nog wat nazong).
 

Nogal wat stemgerechtigden begroetten het andere raadslid joviaal. (De voorzitter en ik werden aanmerkelijk vormelijker bejegend). Eén vrouw noemde mij bij binnenkomst wél hartelijk bij m’n voornaam. Blij verrast werd ik ook wat losser, maar dat kwam me duur te staan.
 
Toen ze al in het stemhokje stond, zag ik op de stemoproep haar meisjesnaam. ‘Heet jij zó…? Wat een rare naam…!’, zei ik lachend. ‘Sprak degene die zélf ‘Girrig’ heet…’, voegde ik er jolig aan toe. ‘Wilde ik nét zeggen…’, riep ze vanuit het stemhokje lachend terug.
 
Zodra daarna de laatste stemmer vertrokken was, richtte de voorzitter zich tot mij: ‘Dat kán natuurlijk niet, hè…? Wat daar zojuist gebeurde…’ Ik vroeg wat hij bedoelde. Hij: ‘Op de kandidatenlijst staan, en dan je naam hard door de zaal roepen, terwijl er mensen aan het stémmen zijn!’
 
Toen ik ook dát thuis vertelde, zei Aagje: ‘wát een ***!’ (Censuur).
 

De eindtelling verliep probleemloos. Bijna alle stemmen telden. Op die van dat krasje na, dan… En er waren er nog een stuk of drie, waar onduidelijkheid over was. Bij ‘mijn’ lijsttrekker was namelijk op een paar biljetten zijn voorletter rood gemaakt. (Hij heette Onno).
 
‘Wat doen we daarmee?’, vroeg de voorzitter. ‘Eigenlijk moet natuurlijk het rondje van het stémvakje worden ingekleurd…’, zei het raadslid. ‘Áfkeuren dan!’, zei ik grootmoedig. (Want het ging over míjn partij).
 
Tijdens de eerstvolgende fractievergadering vertelde ik deze anekdote. (‘Ze hadden jouw ‘O’ ingekleurd, Onno!’) Iedereen lachte. Op de lijsttrekker zélf na. Die fronste zijn wenkbrauwen. ‘Had je gewoon góed moeten keuren..! Doe ik zélf ook. De bedoeling van de kiezer is duidelijk… Dáár gaat het om! Góed onthouden, de volgende keer!’
 
Maar toen was hij al geen lijsttrekker meer.
 
 

Een dûrp van niks
 
 
‘Zijde gij nog lid…?’ Rond half 7 ging de telefoon. Keske aan de lijn. Op zijn (nogal directe) vraagstelling reageerde ik met: ‘Eh…, hoezo?’
 
Keske: ‘Wilde dan messchien op de lijst? De verkiezinge komme d’r aon…’ Ik: ‘Tsja…, als bladvulling?’ ‘Nee, nie es bladvulling. Misschien kande in de raod, want we zuuke unne nieuwe Nieuwendijker. Jan stopt ‘r mee’. (Hier klonk duidelijk wat teleurstelling in zijn stem door). ‘En nou dochte we aan jóu… Mer… zijde gij lid…? Want dèh was nie hjièèmel duideluk…’
 
‘Nou…, als ik geen lid meer zou zijn, wil ik het wél weer worden…’ Verwijtend keek ik Aagje aan (die niet-begrijpend haar schouders ophaalde). Door haar toedoen had ik nog maar kort daarvoor (om te bezuinigen) mijn lidmaatschap opgezegd. We zaten op zware lasten, waren volop bezig met gezinsuitbreiding, plus… ik deed, volgens haar, toch ál die jaren al niks met m’n lidmaatschap.
 
Dat klopte. Ik was een ‘dood lid’, ging nooit naar bijeenkomsten. De laatste keer was al van zo’n 10 jaar geleden. Dat was trouwens meteen ook de eerste keer geweest. Die avond sprak prof. dr. I.A. Diepenhorst in Tavenu. Ik was meteen verkocht (want ik ben dol op sierpraters) en werd na afloop dan ook meteen lid.
 
In grote lijnen legde ik Keske de situatie uit. Toen was hij even stil. ‘Ôh…, feitelijk níe dus…Tsja…, ègge gin líd zijt…, dan worrut netuurlijk een aander verhaol…’ Ik keek toen blijkbaar niet zo vrolijk, want Aagje vroeg met haar ogen wat er was. Ik maakte een korzelig gebaar terug.
 
‘Afijn…, mer ge willut dus wél wjièèr wórre… Nou…, dan hoeft dèh volges míjn nie zo’n problêêm te zijn…. Mèr ge hoevut netuurlijk ôôk nie aon de grwôôte klok te hange… Ge hwêurt nog vamme…’
 
Nog dezelfde avond prijkte, na een korte afwezigheid, mijn naam weer op de ledenlijst. Daarna ging het snel. Ik bezocht de ene (dorps)vergadering na de andere en werd als vrijwilliger aangewezen om het (concept)verkiezingsprogramma van commentaar te voorzien. Mijn epistel werd door het dorpsbestuur welwillend ontvangen en ingestuurd naar het gemeentelijk partijbestuur. Een paar weken later was – in Tavenu – de ledenvergadering, waarin het verkiezingsprogram zou worden vastgesteld.
 
Ik zat (bijna) achter in de zaal, geflankeerd door Keske en Aaike. ‘Dan gaan we nu over tot vaststelling van het verkiezingsprogramma’, zei de voorzitter. ‘Wacht even…’, zei de secretaris, ‘…ik heb hier nog een ingekomen stuk uit Nieuwendijk…’ Even was er wat geroezemoes op het podium. Behalve de voorzitter, bogen nu ook de twee wethouders (die eveneens achter de tafel zaten) zich over het papier. Een van de wethouders trok het naar zich toe en zei na vluchtige lezing: ‘Zit er eigenlijk állemaal al ín!’
 
De voorzitter bracht het programma in stemming. Het werd unaniem aangenomen. ‘Dochte we hjièèl wa te hébbe…’, fluisterde Aaike in m’n oor, ‘…en nou staon we nôg vur lúl!’
 
Het volgende agendapunt was de (concept)kandidatenlijst. Keske stond op 3, ik op 6. Ik was kapot van de zenuwen. Weer boog de secretaris zich naar de voorzitter. Ik kon niet horen wat-ie zei en dacht: ze hebben het ontdekt…! ‘Eén van de kandidaten is helaas nog te kort lid’. Maar even later werd de lijst (onder applaus) bij acclamatie vastgesteld.
 
Mijn positie was niet echt riánt te noemen. Ik stond dus op 6, en we hadden er op dat moment ook 6. Dus we mochten geen zetel verliezen.
 
Toen tijdens de verkiezingsavond (in de hal van het gemeentehuis) de uitslagen een voor een binnenkwamen, was ik dan ook tot het uiterste gespannen. Blijkbaar was dat niet onopgemerkt gebleven. Opeens voelde ik een zware klap op m’n schouders. Naast me stond een (vanuit een ander regiodorp naar Nieuwendijk gemigreerde) aannemer. ‘Bende zénuwachtig…?’ schreeuwde hij in m’n oor. (Want we stonden dicht op elkaar, met veel geroezemoes). ’Nérgis vur nôdig… Gij komter hèus wel ín hor…, ben ik écht nie zo báng vur…’
 
Ik volstond maar met een wat bescheten glimlachje. ‘En és ge d’r dan goed en wel ín zit…’, vervolgde hij, ’…dan mag ik toch wél hòpe dègghe níe es de rést zijt… Méé al d’r páppe en náthouwe…! Dít weer un bietje ôplappe en dèh ôôk mer weer wah ôpkallefaotere… Daor is dun Nieuwendijk nie mee gebáot!! Hij keek me indringend aan. ‘In al die jaore dèk ’r nou won, ister níks veraanderd. Níks…! ’t Is gewôhn un dûrp van níks…! Hóe ge ôôk rijdt…, áltijd komde wjièèr op dèh zéllufde punt uit…’ Mismoedig haalde hij zijn schouders op. ‘Plátgooie môtte ut! Álles môt plát, aanders worrut níks…! Hjièur dut…?’
 
Intussen was de burgemeester achter de microfoon verschenen. ‘Eerst de voorlopige einduitslag van Lijst 1…’
 
‘Kek nou naor Tavenu…’, schreeuwde de aannemer weer in m’n oor: ‘…ze zulle best zegge: och es we ut híer nog wah aonpakke en dáor nog wah verbouwe, dan…., nééje…! Níks d‘rván… Plát!!... ‘t Zéllufde geldt vur de klèuterschôôl…, ôôk plat…! Álles plát…! Aanders krijge we nóóít een mooi centrum!!’
 
Opeens hoorde ik applaus. Aaike trok aan m’n jasje: ‘Zèuve zèètuls! Ge zitter ín man… Gefilliciteerd!’
Terug naar de inhoud