Nijs Girrig - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Nijs Girrig

Oude tijden goede tijden
‘OUDE TIJDEN, GOEDE TIJDEN?’
 
(Nieuwe(ndijkse) zeepserie!!)
 
 
Wij zijn er grots op dat we vanaf vandaag op onze sijt een nieuwe fullieton kunnen starten! De schrijver is een miskend talent, wiens wortels nog in den Buitendijk zouden liggen. (Maar niemand kan ze meer vinden…) Hij gebruikt een schuilnaam. (Na lezing van zijn geestelijke uitwerpselen, begrijpt u wel waarom).
 
Waarschuwing: oudere lezers kunnen van sommige stukskes wat overhoop raken! De kans bestaat dat er pijnlijke (en gelukkig glád verghêête) herinneringen worden opgeroepen!
 
Onderstaande verhalen spelen rond Anno Domenie de jaren 60. Sommige gedeeltes zijn in ABN-stijl (Algemeen Beschaafd Nieuwendijks). Alles is ‘waar gebeurd’, maar de namen berusten op louter toeval. Tenminste… alleen van hen, die de schrijver er voor aanziet dat ze hem voor de Rijdende Rechter slepen.
 
Hieronder de delen 1 en 2 van de feuilleton. De rest moet nog geschreven worden. Die verhalen zitten al wel allemaal in zijn hoofd, maar hij legt ze pas vast als de reacties op deel 1 bekend zijn. Voorzichtigheidshalve heeft hij zijn schadepolis (nog afkomstig van dhr. Goedhárd!) alvast bovenin zijn geldkistje gelegd.
 
3. Dokter
‘Ga dan maar gauw zeggen dat ze níet doodgaat!’

Met deze boodschap werd mijn schoonzus door de dokter weer teruggestuurd. Ze had, op haar Solexje, al een hele zoektocht door Nieuwendijk achter de rug. Ergens aan de Kil zag ze tenslotte zijn lichtgrijze Kever staan. Ze rende de stoep af van de woning waarin hij op dat moment zijn visite aflegde, en riep hijgend: ‘dokter, kom gáuw…, ze zegt dat ze dóódgaat!’
‘Ze’ was mijn 40 jaar oude tante, die een hevige astma-aanval had. Mijn schoonzus had het gezien en aangehoord, toen ze bij haar (aan de Straatweg wonende) opoe aan het poetsen was. Ze was meteen op haar brommertje gesprongen en naar de dokterspraktijk gereden. Van daaruit werd ze richting de Kil gestuurd.
Toen ze weer op de terugtocht was, scheurde de dokter haar alweer voorbij. ‘Dát wel…’, zei ze later, ‘…hij kwám in ieder geval wél gelijk’. Maar dat: ‘zeg maar dat ze niet doodgaat’ vond ze toch wel ongepast. (Temeer omdat zijn voorspelling ook niet uitkwam).

Nóg eentje: ‘Wie denkt dat-ie doodgaat, mag eerst!
Terwijl hij dat riep, stak de dokter zijn hoofd om de deur van de wachtkamer. Hij kwam zojuist terug van een spoedgeval. In de overvolle wachtkamer trok een niet nader te noemen Nieuwendijker nog grauwer weg, dan hij al was. Hij had kanker (en er was niks meer aan te doen).
Uit een ooghoek zag de dokter hem zitten. ‘Kom jíj maar!’, zei hij (om de situatie te redden) tegen een ventje van een jaar of acht. Die liep verbaasd achter hem aan (want hij was nog lang niet aan de beurt).
Dit sappige verhaal had onze buurvrouw, tijdens het wekelijkse ‘krulspelden inzetten’, aan mijn moeder verteld.  
‘Ik geljèuf ut gelíjk!’, zei mijn moeder, toen ze dat aan ons doorvertelde. ‘Hij flapt ‘r alles zò mer úit!’
Dat hij er bij mijn moeder tamelijk genadig afkwam, had een reden. Ze vond hem ‘kundig’. Daarin werd ze later bevestigd. Jarenlang tobde ze met een ‘open been’. Eerst wist de dokter ook niet wat hij er aan moest doen. ‘Daar hebben we de vrouw met die rotte benen’, had hij een keer gezegd, toen ze de spreekkamer in kwam. ‘Dóettur mer is wa aon dan!’ had ze vinnig teruggezegd.
Dat had blijkbaar geholpen, want korte tijd later kreeg ze kleine bruine pilletjes. En die hielpen. ‘Die kosten een rijksdaalder per stuk’ vertelde hij haar. (Hoewel ze door het ziekenfonds werden vergoed, was mijn moeder er toch ‘haar éigen niet van’). ‘Maar wat maakt dat uit…, als ze maar helpen!’, zei hij. ‘Wél in beweging blijven…, dus wat vaker naar de kerk fietsen’, had hij haar nog geadviseerd.
‘Hoezo naar de kérk?’, vroeg ik toen mijn moeder dat navertelde. ‘O, daor schimpt-ie altijd op…’, zei mijn moeder, …hij dóet zelluf nérges aon’. Toen ik haar vragend bleef aankijken: ‘hij gewlêuft nie’. Ik was stomverbaasd. ‘Hoe kán dat dan…?’ ‘Die míese bestaon ôók…’, zei ze. (Ik kon het niet geloven).
‘Als een patiënt beter wordt, heeft God het gedaan…’, had hij een keer tegen mijn moeder gezegd, ‘…maar als-ie doodgaat, dan heeft Koukramp ‘t gedaan’.
Ze vertelde dat we vroeger jarenlang wél gereformeerde dokters hadden. (De laatste daarvan kende ik nog vaag, van toen ik heel klein was: een lange, statige man, dat wist ik nog). Die had volgens mijn moeder vroeger ‘de hele Nieuwendijk’ als patiënt. Koukramp kwam opeens ‘uit het niets’ in Nieuwendijk terecht. (Ze noemden het volgens haar een wílde vestiging). In het begin had hij nauwelijks een praktijk. De paar patiënten die hij toen had, werden in de watten gelegd. Als er bij een van hen een baby werd geboren, ging zijn vrouw er op kraamvisite (en bracht dan ook nog een slab mee).
Af en toe kwam de dokter bij ons aan huis. Wij hadden een ‘echt (olieverf)schilderij’ aan de muur hangen. Toen hij het de eerste keer zag, liep-ie er meteen naar toe en sprak er - tot (zichtbaar) genoegen van mijn moeder - zijn waardering over uit. Wat verderop hing een (achter glas) ingelijste ‘oorkonde’: ‘Ter herinnering aan Uw 25-jarig huwelijksjubileum!’

‘Gooi dáár maar een knikker door!’
‘Waor bemóeit-ie z’n èège mee?!’, zei m’n moeder, toen hij vertrokken was. (Maar een tijdje later was het ding opeens weg).
Mijn moeder vertelde ook altijd wat haar nicht met de dokter had beleefd. Die was een bepaalde periode wat zwaarmoedig en vertelde haar problemen aan de dokter. Die was, tijdens haar verhaal, onder een hoogtezon gaan liggen.

‘Hjiéélemaol náokend!’
Toen ze daar vreemd van opkeek, zei hij: ‘Dat ben je toch wel gewend…, van je man?’ ‘ Des tóch wa áánders, dokter!’, had ze geantwoord.
Over ‘bloot zijn’ deden ze bij ons nooit moeilijk. (Mee goeie waor hoefde nie behéms te zijn’, zei mijn vader altijd). Wel deden ze (vreemd genoeg) nogal besmuikt over ‘in verwachting zijn’. Ik was (een nakomertje van) acht, toen mijn schoonzus voor de eerste keer zwanger werd. Op een gegeven moment viel het mij op dat ze een dikke buik kreeg. ‘Ze krijgt ’n baby’tje’, zei m’n moeder. Maar daar mocht ik tegen niemand iets van zeggen.
Op hoofdlijnen wist ik in die tijd al wel wat seks was. Maar ‘het fíjne’ (!) wist ik er toch nog niet van. Het belangrijkste was mij al wel ter ore gekomen: waar de kinderen vandaan komen. Dat had mijn wat oudere vriendje me al (in het volste vertrouwen) uitgelegd. (‘Uit tiete’).
‘Waarom zijn er meer mensen dan apen’? Vroeg mijn jongste broer rond die tijd een keer, waar het hele gezin bij was.
‘Omdat het in een bed makkelijker gaat, dan in een boom!’ Iedereen lachen… Ik ook. ‘Maar híj snápt ‘m niet’, aldus m’n broer. ‘Wél!’, zei m’n schoonzus.
Mijn broer: ‘wát gaat ‘r dan makkelijker in een boom…?’
Ik dacht: kinderen krijgen, maar dat is (gezien de mij opgelegde zwijgplicht) waarschijnlijk een te vies antwoord…, dus ik zeg maar: ‘vrijen!’

‘Zié je nou wel!’, zei mijn schoonzus.
Diezelfde schoonzus vertelde een tijdje later tegen mijn oudste broer (haar man): ‘de dokter wil dat ik aan de pil ga. Condooms zijn niks…, volgens hem. En toen zat hij natuurlijk ook weer lelijk te doen over de kerk. Maar wat er dát nou mee te maken had….?’
Mijn broer: ‘zei hij soms ‘voor ’t zingen de kérk uit…?’ Zij: ‘já! … Hoe weet jíj dat nou?!’
Achteraf vond ze dit zelf zo lollig, dat ze het bij ons in huis open en bloot zat te vertellen.  Zodoende zorgde de dokter er indirect voor, dat seks bij ons thuis voortaan op de (openbare) agenda kwam te staan. (En niet lang daarna werd ook over ‘in verwachting zijn’ gepraat alsof het de normaalste zaak van de wereld was).
‘Hij kan er niet zo goed tegen’, had mijn nicht een paar jaar later tegen de dokter gezegd, toen hij bloed ging afnemen van haar zoontje. Hij deed of hij niets gehoord had en hield na afloop het volle buisje demonstratief voor het ventje z’n gezicht. ‘Kijk eens, Janno!’
Mijn nicht ging zo snel mogelijk naar huis. Achterop de fiets zakte haar zoontje weg. Ze moest hem met één hand vasthouden, anders was hij van de lastdrager gevallen. ‘Mer Kauwkraamp há d’r temiste gin lol van’, zei ze later.
Zelf mocht ik ook een soortgelijke (shock)therapie ondergaan. Kort na het overlijden van mijn moeder was ik bang dat ik (zoals mijn vader het noemde) ‘de gevreesde ziekte’ had. Ik ben daarvoor verschillende keren op het spreekuur geweest.
Eerst omdat ik toen verging van de maagpijn. Ik was nog maar net aan mijn verhaal begonnen: ‘zuip je…?’ Ik: ‘nou, ik pak soms wel een borreltje, ja…’ Hij: ‘dús je zúipt… Je zuipt, of je zuipt níet - je bent in verwachting, of je bent níet in verwachting. Dus jíj zuipt! Maar ga verder…’
Korte tijd later had ik nog een andere klacht. ‘Bóven de vijftig is het kanker…’, zei hij, ‘…ónder de vijftig zijn het aambeien’.
Even was ik gerustgesteld, maar dat ging snel weer over. Dus ik weer naar hem toe. ‘Ik verwijs je níet door naar het ziekenhuis. Dan sta je voor dat grote gebouw en denk je: de dokter vertrouwt het dus óók niet…, anders had-ie me hier niet naartoe gestuurd’.
Vervolgens vertelde hij me over ‘een kerel die hier al járen komt… Die kreeg ooit een zwarte teen. Dat was niet goed, maar daar is hij aan geholpen. Nu (jaren later) komt hij op gezette tijden nog steeds met een flutsmoesje bij me. ‘Laat maar weer zien!’, zeg ik dan altijd. Dan trekt-ie z’n sok uit en dan zeg ik: ‘goed, trek maar weer aan’. Hij heeft namelijk in z’n kop gezet dat hij – beginnend bij zijn teen – aan het afsterven is. Daarom laat-ie mij nu nog steeds checken of het zwart van zijn teen soms omhoog kruipt’.  
Ook noemde hij een vrouw die al jaren bij hem kwam, omdat ze ‘het zou hebben’. ‘Je loopt hier nu al jaren mee rond…, had hij tegen haar gezegd, ‘…als het waar was, zou je allang dood zijn geweest!’ Ze antwoordde: ‘Ja…, tóen had ik het nog níet, dokter. Maar nú wél!’ Hij keek me indringend aan: ‘Wat móet ik daar nou mee…?
Een paar weken kon ik op dit peppraatje teren. Daarna toch maar weer de stoute schoenen aangetrokken. ‘Naar welk ziekenhuis wíl je?’, vroeg hij toen opeens. Ik schrok. ‘Tsja…, píjn heb ik natuurlijk níet…’ Dat maakte volgens hem niets uit. (‘Je kunt in je darmen een gezwel hebben zo groot als een voetbal en dan voel je nóg niks…’)
‘Laat ze er maar even naar kijken. Dat doen ze dan met een soort langwerpige telescoop. Dat ding steken ze dan diep in je kont…, en dan maar zoeken waar ’t zit’. Terwijl hij dat vertelde, deed hij of hij met één oog door zo’n apparaat keek. Hij hield daarbij zijn twee vuisten (achter elkaar) voor dat oog en maakte daarmee ferme (zoek)bewegingen.
‘Ik kijk het tóch nog maar even aan…’, zei ik.
Dat ‘aankijken’ gaat binnen afzienbare tijd zijn tiende lustrum in. (Als ik ’t mag beleven).

2. Konijnenfok
 
 
‘Nun haon en unne taort, vur twee kwartjes!’ schalde het door de luidspreker.
 
Als door een weps gestoken, renden aan weerszijden van het podium een paar meiden de twee houten trapjes af.  Ze hadden schortjes aan en vellen met lootjes in hun handen. Ver hoefden zij niet te lopen, want vrijwel meteen werden ze door de (vrijwel alleen mannelijke) bezoekers staande gehouden. Twee van hen lukte het om achter in de zaal te komen, waar een aantal opgeschoten jongens en wat oudere mannen hen wenkten.
 
Sommigen van hen leunden (met een sjekkie in hun mond) nonchalant tegen een rij met kooien, waarin slaperige konijnen lagen. Verderop stonden ook hokken met pluimvee, duiven en tropische vogels. Aan een aantal kooien hing een papier. Op een van die papieren las ik: ‘Eervolle vermelding!’
 
Op het podium keek de man met de microfoon de zaal in om te polsen hoe het met de verkoop stond. Hij draaide zich om en zei iets tegen de drie mannen, die (eveneens op het podium) achter een tafel zaten. Zij droegen beige stofjassen, met daaronder een witte boord, plus stropdas. Een van hen keek op en knikte instemmend; de anderen bleven druk bezig met het tellen van de opbrengst van de vorige draaironde.
 
De meesten kende ik wel. Een van de geldtellers was mijn buurman: Jan Dotterblom. Die woonde, als vrijgezel, bij zijn oude vader. Toen ik daar een keer in huis was, vroeg zijn vader wat mijn moeder van ‘die brief’ had gezegd. Ik wist van geen brief af. ‘Wel…, die van de belástinge’, antwoordde hij. ‘Dénkter om dessoe môtteh hébbe…, vurrál op’t lést!’
 
‘Wat bedoelt hij daarmee?’, vroeg ik aan mijn moeder. Die begon hard te lachen. ‘Hij denkt zèèker dettie gaauw dwóód gaot…’
 
De microfoonman was Hen de Prooij (mijn moeder noemde hem altijd Henneke). Henneke leek sprekend op Zwarte Piet, die vroeger (samen met de Sint) bij ons aan huis kwam. Ik kon daar destijds maar niet over uit, en blééf er over aan de gang bij mijn moeder. ‘Hoe kán dat nou…?’
 
‘Hij ís het’, zei m’n moeder tenslotte maar. Einde illusie. (‘Dág Sinterklaasje’).
 
‘Daar gáát-ie dan!’, riep Henneke, terwijl hij het rad van avontuur een zwieper gaf: ‘ièèrst de taort…’ Met een ratelend geluid draaide het rad een paar keer in het rond. Eerst snel, maar toen steeds langzamer, totdat het buigzame ijzeren flapje nog maar nauwelijks voorbij de in het rad getimmerde spijkers kon komen. Uiteindelijk bleef het hangen.
 
‘Nummer 47!’ riep Hen. ‘Príjs!’, schreeuwde een geluksvogel midden uit de zaal.
 
‘En nóu dan den haon!’ Weer ratelde het apparaat. Híer was ik voor gekomen! D’n Háon!!
 
‘Hier hedde wa geld…’, had m’n vader eerder die vrijdagavond tegen mij gezegd. ‘…gaot is unnen haon haole op de knijnefok’, en hij duwde twee rijksdaalders in mijn hand. Dus ik die avond op de fiets naar Tavenu.
 
‘Nummer 59!’ Met spanning keek ik op mijn vier eerst gekochte lootjes en… zag het nummer er tússen staan: 59!!
 
‘Prijs!!’ riep ik dolblij. Maar niemand hoorde mij. ‘Hó èève jonges…’, riep tegelijkertijd Hen. Een van de drie geldtellers had hem op zijn schouder getikt en richting de zaal gewezen. Achterin de zaal hield een lotenverkoopster hoofdschuddend een vel lootjes en een tientje omhoog. Meteen daarna stopte ze het tientje ze in haar schortje en begon ze lootjes van het vel af te scheuren.
 
Lian is nòg nie los… Dan waachte we nog effe mee draaie…’
 
En even later: ‘zijde nou los, Lian…? Nou daor gaon we dan écht. Hòpeluk worret, vur degiène die dèh nummer net há, wjieer 59!’
 
Ik dacht: ‘wíe weet…, misschien weet hij er nog een gunstige draai aan te geven… ’ Vol verwachting keek ik dus op mijn lootjes… : ‘Nummer twee en zeùventig!’ Maar nummer 72 stond er niet tussen... ‘Híer!’, hoorde ik een zware mannenstem roepen.
 
Verder had ik die avond geen prijs. Ook het konijn dat even later verloot werd, won ik niet. Dat werd door de glunderende winnaar opgevangen, nadat het vanaf het podium op een (klein)diervriendelijke manier in zijn armen was gegooid.
 
Thuisgekomen vertelde ik in geuren en kleuren het hele verhaal. Ik had gewoon naar een van die mannen toe moeten lopen, zei mijn vader. Jan Dotterblom, of Goof Molleke (die ook achter de tafel zat) hadden me best nog een andere haan gegeven… Juist tegen zo’n ventje als ik, zouden ze niet zo gauw nee hebben gezegd.
 
Daarmee was de kwestie afgedaan. Even later zat hij met zichtbaar (en hoorbaar) genoegen naar ‘De Mounties’ te kijken. (‘De Monties’, noemde hij ze zelf).
 
Het jaar daarop had ik meer geluk. Op mijn eerste vier lootjes viel geen prijs. Dat vond ik eigenlijk ook niet zo erg, want er werd een levend konijn verloot. En konijnen durfde ik niet zo goed vast te houden. Verder voorzag ik wat transportproblemen, omdat ik met de fiets was.
 
Toen Hen het dier aan de gelukkige overhandigde, ontdekte ik pas echt de hand van de (keur)meester: de kunst was, om ’t konijn bij z’n nekvel te grijpen en dat vervolgens als handvat te gebruiken. Ik probeerde mij voor te stellen hoe dat dan op mijn (best lange) fietstocht naar de Buitendijk zou gaan. Zou ik geen kramp in mijn vingers krijgen? Zou hij zijn nek niet zo kunnen verdraaien, dat hij me tóch nog kon bijten…? En wat als hij wild zou gaan spartelen…?
 
‘En dan nou wièèr nun haon en unne taort…, ièèrst d’n haon...: nummero áácht!’ Ik keek op mijn lootjes… Het stond er echt tussen: 8! Snel zocht ik met mijn ogen Lian. Was die nu wél los…?? En, jawel hoor! ‘Losjes’ stond ze met een paar kerels te praten.
 
‘Zou het dan écht waar zijn…?!’, vroeg ik me af. Ik hoorde verder niemand roepen… ‘Prijs!’, riep ik daarom met schorre stem en schoorvoetend liep ik, tussen de andere dierenvrienden door, naar het podium. Intussen om mij heen kijkend of er nóg iemand naar voren liep. Maar dat was niet zo…
 
Hen stond al op bij rand van het podium en boog zich voorover om mijn lootje te controleren. ‘Ésteblief!’ zei hij even later, en overhandigde me een witte haan met een fletsrode kam. ‘Net es ikzélf doe…, bij z’n vleugels vatte’, zei hij nog zachtjes.
 
Ik keek zo onverschillig mogelijk, en pakte  - net als Hen - de haan met mijn rechterhand bij zijn (boven zijn kop) tegen elkaar gedrukte vleugels. Vervolgens liep ik zo kalm mogelijk terug naar het midden van de zaal. Even was ik bang dat hij me in mijn hand zou pikken. ‘Zíjn nek is aanmerkelijk draaibaarder dan die van een konijn’, dacht ik nog. Maar die angst doofde snel, want de haan vertoonde maar weinig strijdlust. Af en toe draaide hij zijn kop wat; daar bleef het bij.

Eigenlijk was ik van plan om nog langer te blijven, maar het lootjes kopen ging vanaf nu nogal omslachtig. Ik had alleen nog mijn linkerhand tot m’n beschikking. Opeens schoot het door mij heen: als ik nóg een keer in de prijzen zou vallen, hoe zou ik dan in vredesnaam thuis moeten komen…?
 
Dus ging ik alweer vrij vroeg naar huis. Met het fietsen ging het eigenlijk prima. Ik had echt geen kind aan de haan. Eén keer moest ik onderweg stoppen; dat gebeurde ter hoogte van de winkel van ‘Jan Kaant’. Maar dat was alleen om, wegens dreigende kramp, ‘van hand te wisselen’.
 
Thuis werd ik dít keer als de gebraden haan ontvangen. ‘Goed gedáon...’, zei mijn vader, ‘… en nog geld òòver òòk!’ Hij haalde een kartonnen doos, prikte daar wat gaatjes in, en stopte het beest daar vervolgens in.  
 
De volgende ochtend werd de haan door hem (achter het huis) met een bijl onthoofd, met kokend water afgegoten, geplukt en vervolgens geslacht. ‘Hij spartelt nie errug hard…’, zei m’n vader.
 
Bij Merrien den Bòf (die een paar huizen verderop woonde) was het er een tijdje daarvoor wel wat  ánders toegegaan.  Toen Merrien achter zijn huis een haan aan het slachten was, gaf dat beest zoveel tegenpartij, dat ‘hij hem niet kon houden’. Halverwege het ritueel vloog de haan de griend in. Zonder kop. Nooit meer gevonden, want het was hoog water.
 
Mijn moeder nam het culinaire deel voor haar rekening. Het was al een heel eind in de middag, toen ze verzuchtte dat de haan maar niet gaar werd.
 
Weer een paar uur later: ‘Nog stèèds nie…, Hoe óud zòh diejun haon wel nie gewist zijn…?! Hij is zòh taai es unne ríem!! Lat Henneke de Prooij díe zéllef mer opèète!’
 
Om een lang(dradig) verhaal kort te maken: de haan werd afgevoerd naar het varkenshok van de buren.
 
Veel positiever waren de ervaringen die mijn bróer met de konijnenfok had. Híj viel bij de tentoonstelling (samen met z’n parkiet) in de prijzen! Dat leverde hem een blinkende prijsbeker op. ‘Derde Prijs Grasparkieten!’ stond er met sierletters op gegraveerd.
 
Jarenlang stond die trofee op ons dressoir te blinken. (En soms bewaarde ik er mijn grondknikkers in, maar dat is een ander verhaal).
 
Tot slot nog dit…
 
Ter ontlasting van de helden van dit verhaal: De Partij voor de Dieren was toen nog niet opgericht. (En trouwens: ‘als je ‘r niet bíj bent geweest…’)
 

1. ‘Kleuterschool’
 

‘Staa hállt!! …  Alle kinderen netjes in de ríj staan!...’
 
Mevrouw Borstel klapte in haar handen. Het was ‘t einde van de schooldag. En zoals gebruikelijk zongen de drie aangetreden klassen nog een slotlied.
 
‘Hoger dan de blauwe luchten… en de sterretjes van goud’.
 
Toen het versje uit was, werd het gebaar ‘ga maar’ gegeven. Uitgelaten scheerden de kinderen langs de zwarte Kever die op de tegels voor het gebouwtje geparkeerd stond.
 
‘Eérst naar moéder gaan!!’, riep zij hen nog na. Nu was dat voor sommigen niet zo moeilijk, want  hun moeders stonden, met hun fiets in de hand, al voor het schooltje op hen te wachten. Minzaam lachend knikte Mevrouw Borstel hen toe. Een meisje dat nog niet was weggerend, wilde zo te zien nog wat zeggen tegen Mevrouw Borstel. Die boog zich voorover en liet zich iets in het oor fluisteren. Ik kon alleen horen wat Mevrouw Borstel zei: ‘Bedánkt voor het klikken!’
 
De informante huppelde weer weg. Mevrouw Borstel had intussen mijn wachtende moeder gezien en stapte op haar af. ‘Het is goed gegaan hoor’, zei ze bemoedigend. ‘t Valt allemaal bést mee… U moet gewoon zélf óók wat flinker zijn…! Góedemiddag!’
 
‘Goedemiddag’ antwoordde mijn moeder koel. Ze hees me op de lastdrager en fietste weg. Toen even later de pijp van de Botterfabriek in zicht kwam, hoorde ik haar opeens in zichzelf praten: ‘Zélluf ôk wah flínker zijn…?! Schet nou gáuw!! Ze moes is wèèhte…!’
 
Wát Mevrouw Borstel eens moest weten, en wat zij trouwens ook best al wíst, was dat ik constant aan mijn moeders hoofd zeurde: ‘dúret láng…?’ De hele dag door…, ook op zon- en feestdagen. ‘Nee, ‘t duurt écht nie lang!’, antwoordde mijn moeder dan elke keer liefdevol. Maar even later werd de vraag weer gesteld.
 
Het ging mij natuurlijk over de tijd die ik moest doorbrengen op de keuterschool. Daar beviel het me namelijk maar matig. Vooral de eerste dag staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Het ontvangstcomité bestond uit Mevrouw Borstel en mijn eigen juf. De laatste wees me naar mijn plaats. Ik zat nog maar amper, of Ricky Moeke had het idee opgevat om gehuld in lederhose (waarschijnlijk niet bij de Noorlander gekocht, maar tijdens een vakantie in Oostenrijk  – zíj wél…) brullend (en af en aan om zijn moeder roepend) over de tafeltjes te gaan rennen.
 
Maar ook later waren er nog wel gebeurtenissen die mijn goesting in het dagelijkse kleuterschoolbezoek wat deden temperen. Bijvoorbeeld toen tijdens het ‘buitenspelen’ Henkie Hekker twee aan een touw bevestigde blokken rondom zijn hoofd slingerde. Een daarvan raakte zijn neus. Het gevolg hiervan was een volledig bebloed gezicht. Ik kende het fenomeen bloedneus nog niet en was ervan overtuigd dat heel zijn kop was opengebarsten (en dit dus nóóit meer goed zou komen).
 
Wat verder tijdens mijn kleuterschoolbezoeken de feestvreugde niet verhoogde, was dat ik een tijd lang geen veters, maar wit elastiek in mijn bruine (!) schoenen droeg.
 
Natuurlijk was mijn moeder het creatieve brein achter deze actie. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik zelf ook schuld had. Ik had thuis namelijk verkletst dat mijn juffrouw tijdens het strikken van het zoveelste paar kinderschoentjes (en dat waren nou nét die van mij…) zuchtend zei: ‘Ik krijg er een púnthoofd van!’ Ik kende die uitdrukking niet en was bang dat, als die dagelijkse strikacties nog langer doorgingen, de juffrouw inderdaad een lelijk misvormd hoofd zou gaan krijgen.
 
Toen ik het thuis vertelde, vroeg mijn moeder wanneer de juffrouw ‘dêh van da punthoofd’ zei. Ik: ‘toen ze mun schoene strikte’. Mijn moeder: ‘dan hoef ze vurtoan gin punthoofd mjiéér te krijge, want dan rijg ík er ellestiek in. Dan kande ze gewóan es ínstappers gebruike’.
 
Ik was blij dat het eindelijk weer zomer werd, want toen kon ik mijn waterschoentjes weer aan.
 
Was er dan niks leuks op die kleuterschool? Jawel, ‘s zomers hadden we een eigen tuintje, waar we radijsjes in mochten kweken, maar daar waren de kinderen uit de hoogste klas de baas (en dat lieten ze merken ook…)
 
Verder waren er natuurlijk ook meisjes, maar die zijn eigenlijk aan mijn aandacht ontsnapt. Aan, om maar iemand te noemen, Christa Moorcloos (met wie ik binnen een paar jaar toch de saffieren bruiloft hoop te vieren) heb ik geen enkele herinnering! Gelukkig stelde zij me later gerust: ‘t is geheel wederzijds.
 
Wie mij wél opvielen, waren Hanna den Dakker en  Sanneke Vroeger. Maar dat kwam door Mevrouw Borstel, die altijd zo vriendelijk tegen ze deed.
 
Toen ik ook dát thuis weer vertelde, was de reactie van mijn moeder: ‘Un dochter van ríjke míese… en ièèntje van unnen oannemer…, die zijn mjiéér es recht voruit! Die worre netúúrluk vúrgetrokke! Deh begrépte…!’
 
Maar ik begreep het niet. En, eerlijk gezegd, nog steeds niet…
 
Wat ik inmiddels wél snap, is de bijzondere aandacht die Mevrouw Borstel aan Annetje Hoeke gaf. Zij was ouder dan wij en bleef (bij gebrek aan andere – voor haar geschikte - soorten van onderwijs) bij ons ‘kleuteren’. Toen ik heel veel jaren later in een boek van Joanne Klink las dat er ‘omlaag getransformeerde lichtwezens’ bestaan (die hier alleen maar zijn om licht te verspreiden), moest ik aan Annetje denken.
 
Terug naar de inhoud