Nijs Girrig - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Nijs Girrig

Oude tijden goede tijden
‘OUDE TIJDEN, GOEDE TIJDEN?’
(Nieuwe(ndijkse) zeepserie!!)
Wij zijn er grots op dat we vanaf vandaag op onze sijt een nieuwe fullieton kunnen starten! De schrijver is een miskend talent, wiens wortels nog in den Buitendijk zouden liggen. (Maar niemand kan ze meer vinden…) Hij gebruikt een schuilnaam. (Na lezing van zijn geestelijke uitwerpselen, begrijpt u wel waarom).
Waarschuwing: oudere lezers kunnen van sommige stukskes wat overhoop raken! De kans bestaat dat er pijnlijke (en gelukkig glád verghêête) herinneringen worden opgeroepen!
Onderstaand verhaal speelt rond Anno Domenie 1960. Sommige gedeeltes zijn in ABN-stijl (Algemeen Beschaafd Nieuwendijks). Alles is ‘waar gebeurd’, maar de namen berusten op louter toeval. Tenminste… alleen van hen, die de schrijver er voor aanziet dat ze hem voor de Rijdende Rechter slepen.
Hieronder dus deel 1 van de feuilleton. De rest moet nog geschreven worden. Die verhalen zitten al wel allemaal in zijn hoofd, maar hij legt ze pas vast als de reacties op deel 1 bekend zijn. Voorzichtigheidshalve heeft hij zijn schadepolis (nog afkomstig van dhr. Goedhárd!) alvast bovenin zijn geldkistje gelegd.
‘Kleuterschool’

‘Staa hállt!! …  Alle kinderen netjes in de ríj staan!...’
Mevrouw Borstel klapte in haar handen. Het was ‘t einde van de schooldag. En zoals gebruikelijk zongen de drie aangetreden klassen nog een slotlied.
‘Hoger dan de blauwe luchten… en de sterretjes van goud’.
Toen het versje uit was, werd het gebaar ‘ga maar’ gegeven. Uitgelaten scheerden de kinderen langs de zwarte Kever die op de tegels voor het gebouwtje geparkeerd stond.
‘Eérst naar moéder gaan!!’, riep zij hen nog na. Nu was dat voor sommigen niet zo moeilijk, want  hun moeders stonden, met hun fiets in de hand, al voor het schooltje op hen te wachten. Minzaam lachend knikte Mevrouw Borstel hen toe. Een meisje dat nog niet was weggerend, wilde zo te zien nog wat zeggen tegen Mevrouw Borstel. Die boog zich voorover en liet zich iets in het oor fluisteren. Ik kon alleen horen wat Mevrouw Borstel zei: ‘Bedánkt voor het klikken!’
De informante huppelde weer weg. Mevrouw Borstel had intussen mijn wachtende moeder gezien en stapte op haar af. ‘Het is goed gegaan hoor’, zei ze bemoedigend. ‘t Valt allemaal bést mee… U moet gewoon zélf óók wat flinker zijn…! Góedemiddag!’
‘Goedemiddag’ antwoordde mijn moeder koel. Ze hees me op de lastdrager en fietste weg. Toen even later de pijp van de Botterfabriek in zicht kwam, hoorde ik haar opeens in zichzelf praten: ‘Zélluf ôk wah flínker zijn…?! Schet nou gáuw!! Ze moes is wèèhte…!’
Wát Mevrouw Borstel eens moest weten, en wat zij trouwens ook best al wíst, was dat ik constant aan mijn moeders hoofd zeurde: ‘dúret láng…?’ De hele dag door…, ook op zon- en feestdagen. ‘Nee, ‘t duurt écht nie lang!’, antwoordde mijn moeder dan elke keer liefdevol. Maar even later werd de vraag weer gesteld.
Het ging mij natuurlijk over de tijd die ik moest doorbrengen op de keuterschool. Daar beviel het me namelijk maar matig. Vooral de eerste dag staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Het ontvangstcomité bestond uit Mevrouw Borstel en mijn eigen juf. De laatste wees me naar mijn plaats. Ik zat nog maar amper, of Ricky Moeke had het idee opgevat om gehuld in lederhose (waarschijnlijk niet bij de Noorlander gekocht, maar tijdens een vakantie in Oostenrijk  – zíj wél…) brullend (en af en aan om zijn moeder roepend) over de tafeltjes te gaan rennen.
Maar ook later waren er nog wel gebeurtenissen die mijn goesting in het dagelijkse kleuterschoolbezoek wat deden temperen. Bijvoorbeeld toen tijdens het ‘buitenspelen’ Henkie Hekker twee aan een touw bevestigde blokken rondom zijn hoofd slingerde. Een daarvan raakte zijn neus. Het gevolg hiervan was een volledig bebloed gezicht. Ik kende het fenomeen bloedneus nog niet en was ervan overtuigd dat heel zijn kop was opengebarsten (en dit dus nóóit meer goed zou komen).
Wat verder tijdens mijn kleuterschoolbezoeken de feestvreugde niet verhoogde, was dat ik een tijd lang geen veters, maar wit elastiek in mijn bruine (!) schoenen droeg.
Natuurlijk was mijn moeder het creatieve brein achter deze actie. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik zelf ook schuld had. Ik had thuis namelijk verkletst dat mijn juffrouw tijdens het strikken van het zoveelste paar kinderschoentjes (en dat waren nou nét die van mij…) zuchtend zei: ‘Ik krijg er een púnthoofd van!’ Ik kende die uitdrukking niet en was bang dat, als die dagelijkse strikacties nog langer doorgingen, de juffrouw inderdaad een lelijk misvormd hoofd zou gaan krijgen.
Toen ik het thuis vertelde, vroeg mijn moeder wanneer de juffrouw ‘dêh van da punthoofd’ zei. Ik: ‘toen ze mun schoene strikte’. Mijn moeder: ‘dan hoef ze vurtoan gin punthoofd mjiéér te krijge, want dan rijg ík er ellestiek in. Dan kande ze gewóan es ínstappers gebruike’.
Ik was blij dat het eindelijk weer zomer werd, want toen kon ik mijn waterschoentjes weer aan.
Was er dan niks leuks op die kleuterschool? Jawel, ‘s zomers hadden we een eigen tuintje, waar we radijsjes in mochten kweken, maar daar waren de kinderen uit de hoogste klas de baas (en dat lieten ze merken ook…)
Verder waren er natuurlijk ook meisjes, maar die zijn eigenlijk aan mijn aandacht ontsnapt. Aan, om maar iemand te noemen, Christa Moorcloos (met wie ik binnen een paar jaar toch de saffieren bruiloft hoop te vieren) heb ik geen enkele herinnering! Gelukkig stelde zij me later gerust: ‘t is geheel wederzijds.
Wie mij wél opvielen, waren Hanna den Dakker en  Sanneke Vroeger. Maar dat kwam door Mevrouw Borstel, die altijd zo vriendelijk tegen ze deed.
Toen ik ook dát thuis weer vertelde, was de reactie van mijn moeder: ‘Un dochter van ríjke míese… en ièèntje van unnen oannemer…, die zijn mjiéér es recht voruit! Die worre netúúrluk vúrgetrokke! Deh begrépte…!’
Maar ik begreep het niet. En, eerlijk gezegd, nog steeds niet…
Wat ik inmiddels wél snap, is de bijzondere aandacht die Mevrouw Borstel aan Annetje Hoeke gaf. Zij was ouder dan wij en bleef (bij gebrek aan andere – voor haar geschikte - soorten van onderwijs) bij ons ‘kleuteren’. Toen ik heel veel jaren later in een boek van Joanne Klink las dat er ‘omlaag getransformeerde lichtwezens’ bestaan (die hier alleen maar zijn om licht te verspreiden), moest ik aan Annetje denken.
Terug naar de inhoud