Woordenboek - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud


Woordenboek der Nieuwendijkse taal
editie 2022

Woorden

A
aachterhuis- achterkamer
aachterland - onderontwikkeld gebied oostelijk van Nieuwendijk
aai - Ei   " of de naam "Arie
aaierkoek - eierkoek
aaike -1.Een eitje 2. Een streling over je hoofd: een aaike over oeën bol
aagter de buuke heg - 1. onvindbaar 2. De weg kwijt
aanderaand - verschillend, afwijkend van elkaar. "Ze zijn aanderaand", "Ik heb twee aanderaande"
aanleggen - op bezoek gaan (kroeg). ergens aanleggen
Aanpikkelateur - iemand van de gemeentereiniging die papier prikt
aier - eieren
andievie - andijvie
appel mee bone - Gerecht van gedroogde appels met (witte of bruine) bonen, aatdappelen en rookworst
appelesien - sinasappel
asem - adem
asemen - ademen
avaseren - opschieten
B
bakkes - mond, gezicht
bakske -kopje koffie
bangeske - bankje
belaoitafeld - besodemieterd
belderen, deurbelderen - met vuile schoenen door het huis lopen
benéeje - beneden
benukt - gek
beerput - poepopslagput
begaaien (Gij begaait ut) - Er een puinhoop van maken
beljat, belkattik - ja
belnent, belnentik - nee
bende - een rotzooi
beren - de beerput leegmaken en de inhoud verspreiden over het land
beslag - beroerte
bietje - beetje  
bijnden - binden
bivacceren - verblijven
blaaike - blaadje
bleek - stuk grasland waar vroeger de was op werd gedroogd
Bleek - Vroeger een klein riviertje dat Nieuwendijk met de Biesbosch verbond, tegenwoordig een sloike van niks
blènen- blaren
blèren - schreeuwen
blèten - blaten
Blijnd - blind ofwel luik van een huis" Ook gebruikt in de betekenis van niet kunnen zien
un bliksem - een slechte vrouw (vooral voor haar man)
bliksemse jong - ondeugende kinderen
blom - bloem
blubber - modder
boezeroen - over(hemd)
bordeke -bordje
borstrok - wollen voorloper van een hemd
bot - laars
botjes - houten kinderschaatsen
botter - boter
braaien - breien
braoien - braden
brugguske - brugje, vroegere verbinding tussen de kerkweg en het Oslopark
bruts - broeierig warm
builtje - zakje
buitenaaf - heel de week weg zijn van huis om te werken
bukkum - Bokking
bukzuut - beurs fruit
burte -  buurten, op visite gaan
D
dakhoas - kat  
Dekske - Het Dijkje
dot - veel
dotje - een kleine hoeveelheid zie: zeujke
doske - doosje
deinsdag - dinsdag
deurdouwer - doorzetter
deurslag - vergiet
deuze - deze
douwen - duwen
dun draai - eerste bocht in de buitendijk
drènen - zeuren
dreuger - droger
dreugweinder - Een witte boon die te drogen is gelegd
dripselen - ijsberen, drentelen
unnen deuzige - een droogkloot
durp - dorp
E
Èfkes - eventjes
Ègeste - hetzelfde / dezelfde
Eigenheimer - eigenwijs figuur, aardappelsoort
Ènd, ut Ènd - Het begin van de Rijksweg als je van de huisnummering uit gaat.
èrrebezen - aardbeien
èrrepel - aardappe
èrrepelschelmeske - aardappelschilmesje
eruit naaien - er vandoor gaan
F
fezikken - friemelen, rommelen
fik - vinger
fits - fiets
fitsen - fietsen
foelie - aluminiumfolie
frommes - vrouwen, vrouwvolk
frullie - jonge meiden
G
gaffel - mond
gaai - gij
gèf - knap
gère - graag
geschaaien - gescheiden
geut - goot
gewist - geweest
grip - greppel
gruun mee witte - Snijbonen (doorgaans uit het vat waarin ze met een flinke dosis zout geconserveerd werden) gemengd met witte bonen een rookworstje en vaak ook nog verse worst
gullie - jullie
gunterwijt - verderop
gutsteen - gootsteen in de aanrecht
guuns - heen, ginds
H
haaibaai - feeks, bijdehandte vrouw
haals (háls) - kindje. Vaak medelijdend bedoeld
haerm -klein mager babytje
hannussen - uitvoeren, doen
hansen - emailen (vrij naar: Hans van (ie)Meel
Hardewijker - gierig persoon
harketuig - gereedschap voor het scherp maken van de zeis en ander gereedschap
harses - hoofd, kop
hedden - hebben
heks - knieholte
hendig - handig, aardig, knap
hengelat - vishengel
hènning - hek
hèring - haring
herres - weer (heen en weer)
herrieschot - geluidsscherm
heuren - horen
heud - hoofd
heudoverkop - van top tot teen
hieel - hele (zie père mee spek)
Hink hokke - je tekende een hinkelhok en ging met je vriendinnen hinkelen
Hittepetit - Een kordate vrouw
hof - (groenten)tuin  
hortje - een tijdje, poosje
hooggebijnt - Waarschijnlijk hoogste deel van het gebint (balkcontructie)
houdoe - dag, tot ziens
hukke - wat voor, welke. Hukke schoenen had ie aon? Wat voor schoenen had hij aan?
hukken - hurken, op oew hukken zitten = gehurkt zitten  
hullie - zij (groepje) daar
hurken - op zijn hurken zitten
huske - WC
J
jaanken - huilen
jaankbakkes - huilebalk
jong - kind
jonges op de mèden - spel op het schoolplein waarbij de jongen de meiden moesten vangen
jotteren - heen en weer bewegen
juin - ui
K
kachel - dronken
kaier - kinderen
kauwauwen - kletsen
Kefoek - Kijfhoek
kèk - kijk
kelderwijnd - dommekracht
kerkbroad - zie muntje
kès - kaas
Kèske - Keesje
ketelpak - overall
keu - varken
kijnd - kind
Kijnds -  kinds
kik - geluid
klaai - klei
klauw - hand
klèn - klein
kleppen - kletsen  
klompkes - klompjes
klotje - alpinopet
Knelisroos - pioenroos
kneukels - handen
Knotsenschelleft - stapel van oude stronken uit de griend
kod - waterplant met bruine pluim
koei - koe
koekenbak - pannenkoek
kommeke - kopje
kopke - hoofdje, theekopje
kopkedieten - haasje over spelen
kouwe - koude
Kouwouwen - kletsen, onzin uitslaan
krèk, krèk aai - juist, correct
kries - kruisbes
kroot - rode biet
kruskes - kleine pruimen
kwaod - kwaad
Kwats - onzin
kwatta - Chocola, choladereep
kwek - mond
Kwets - aaneengeregen pieren
L
laand - 1. land 2. volkstuin
laer - ladder
lègere schoal - lagere school
lekke(n) - likken
lèr - ladder
lers - laars
lest - laatst
linksom - binnenstebuiten
loapen - lopen
logie - horloge
longkortse - longontsteking
looi - grote baby  
lurven - kladden
lustere - luisteren
M
mauwen - praten, kletsen
mauwert - zeikerd, zeurpiet
mèd - meid
mèrgen - morgen
mèrtje - marktje
mesien - machine
mesisterse broek - ribbroek
mesjeu - meester
mèske - 1. meisje 2. mesje
meuzik - mug  
mies, miens - mens
missie - mest  
mombakkes - masker
mui - tante
mundjiène - straks, later
murke - muurtje
muntje - pepermuntje dat je voor de preek toegediend kreeg
N
neffen - naast
neptang - nijptang
nest -bed
netterna - hangt er van af
nie - niet
nò-nie - nog niet
nij - nieuw
nijsgirrig - nieuwsgierig
O
oelewapper - stommeling
oepoe - opoe
oew - uw of jouw
olienotjes - pinda's
ollebaaie - aalbessen
onderlest - onlangs
ont - 1. vals, gemeen 2. vies
onterik - 1. gemenerik 2. Vuillak
ontstraand - brutaal
opper - hoop grond
P
de pad - pad bij dun draai aan de kil
Pakstraat - Zevenbanseweg
pee - suikerbiet. meervoud: peejen
peejentijd - tijd waarop de suikerbieten van het land werden gehaald
pèr - pee
pèrd en waoge - paard en wagen
hieel pèren mee spek - paard en wagen (gerecht)
pier - regenworm
piktol, piktolleke - tol
platjes plekke - plaatjes plakken
platte èrrepel - gebakken aardappelen
plee - WC
pliesie - de politie, of een agent
pooieren - peuren. Het met een kwets vangen van aal en/of paling
portefullie - portefeuille
prakkezeren - nadenken
pro - knikkerterm
R
raoien - raden
raps - rasp
rauwdauwer - een onhandig iemand, loopt overal tegen aan, laat alles vallen etc
reishak - speciale bijl voor werk in de grienden
reutemeteut - rotzooi, rommel
rijf - hark
rugt - onkruid
rugten - onkruid wieden
russekoôk - schommel
S
sauwelèr - zeurpiet
schatse - schaatsen
schelft - 1. riet 2. hooistapel
schotteldoek - vaatdoek
schotteltje - schoteltje
schouw - 1.leuk 2. schuw
schrèten - schreeuwen
schrètmasjien - Iemand mee een groot bakkes, een schreeuwlelijk
schroeien - barbecuen
schuif - lade
schup - schop, spade
schurke - 1. schuurtje 2. scheurtje
seinspaol - houten paal voor elektra of telefonie
sijt - site
sjiemelen - onrustig zijn
Sjurk - Huismus
slaai - sla
slek - slak
sloat - sloot
slob - losjes
sloike - slootje
smoel - mond, gezicht
Snul - naam voor een gerecht dat bereid werd na het slachten van het varken
spouwen - spugen
spouwkoei - Lama
staamp - stamppot
ne stap - vlonder bij sloot
steukeren - stinken
stilleke - postoel
streen - rij
struffelen - struikelen
sturm - storm
sunt - jammer
swijnters - in de winter
T
taaike lappen - ijsschotsen trappen
taofek - tafel
tèrwoe - tarwe
tèrwebroad - tarwebrood
tèrwebroajen - tarwebroden
tieej - teen
tiènen - tenen
tilleke - open zolder
titol - dwaas, gek
tjal - rechte smalle schop om mee te spitten
tjekeme - luidruchtig eten
toatel - wankel, wiebelig
turreke - pesten of plagen
U
uitkruiperke - verstoppertje
uitschaaien - ermee stoppen
V
vatten - pakken, nemen
vègen - vegen
vèrken- varken
vèrkenshok - 1. varkenshok 2. deel van het schoolplein bij de oude school
vlonderke - stijgertje
vort - er vandoor, weg
vrèmd - vreemd
vreuker - iemand die zwaar werk doet
vruten - wroeten  
vurdeur - voordeur
vurre - (naar) voren
vurvertrek - voorkamer
W
waai - weiland, wei
wa feur - wat voor (iets)
wefke - vrouwtje
weind - wind
weljattik - welja
welnentik (welnent) - welnee  
werf - tuin/erf rond je huis
weps - wesp
wèrm - warm
wètten - weten
wijd - ver
wijnter - winter
witte - weten
wurm - 1. worm 2. klein kind
wurvel - grendel om iets (luiken) mee vast te zetten
Z
zaand - zand
zaol - (fiets)zadel
zefke - zeefje
zeisie - zeis
zèkbal - bal van niks (voetbalterm)
zèkerd - zeikerd, zeurpiet
zeujke - een kleine hoeveelheid zie: dotje
zoeg - zeug
zooike - 1. kleine hoeveelheid (zie zeujke en dotje) 2. een rotzooi
zullie - zij
zurregen - zorgen
zuut - zoet, stil
zuut is - hou je mond
zuuthouwerke - zoethoudertje
t Zwart ènd - Gedeelte van de Buitendijk

Uitdrukkingen en gezegden

A
Aachter Gurcum - Zeer ruime geografische eenheid: zo ongeveer het hele noordelijk halfrond  boven de Merwede
Aaf moeten goan - Poepen
As ge nie ophoudt, dan vat ik oe bij oe lurven. Als je niet stopt, dan krijg je op je mieter
B
Bet ie a'k um aai. - Bijt de hond als ik hem aai
Bij Sjarreltjes een pilsje pakken. - Bij recafé de Pelikaan een biertje drinken
Boven aerde staon. - Opgebaard zijn.
Brande gij oew kneukels? - Brand je je handen?
Buitenaf werken. - Elders aan het werk zijn.
D
Da ge bedankt zijt, da wette. - Dat je bedankt bent.
Da nukt me niks. - Dat kan mij niet schelen.
Da wet gin man  - Dat weet niemand.
Da wette gij nie! - Dat weet jij niet!
Da's krek wa'k wou! - Dat is wat ik wilde!
Daor heddum! - Daar is hij!
Dè doede toch nie. - Dat doe je toch niet.
De hort op. - Niet thuis zijn, er vandoor zijn
De koei in z'n kont kijken. - Het is makkelijk praten als iets voorbij is.
De kopkes (de bedde, de raome) doen. - De vaat afwassen,de bedden opmaken , de ramen zemen etc
De rook nukt de schorsteen uit. - De schoorsteen trekt lekker.
Dè staot slim. - Het staat scheef.
De stoep op. - De dijk op.
Dè was 't. - Dat was het.
Dur deur zakken. - Er door heen zakken.
E
Een aovendje burte. - Op visite gaan.
Een klèn jong. - Kleuter
Een natte kraant. - Verwaand persoon, die niet veel voorstelt.
Een turfske wentelen. - Een sjekkie draaien
Es ge aon ut ènd oewen pink brekt, zijde aon Kil al doad.
- Roddelen en overdrijven.
Es ge een goed verstaand het en ene kurke ziel, dan drijfde locht. - Als je slim ben en niet te zwaar op de hand, heb je een gelukkig leven.
G
Ge lieg ut toch. - Het is toch niet waar.
Ge zijt helemaol belaitafeld. - Je lijkt wel gek, dat kun je niet maoken.
Gebid hemme, - We hebben gebeden (voor het eten, dus mogen we gaan eten)
Geklutst aai mee rôme. -  Warme melk met een geklutst ei en als het koud was ging er ook nog een scheut cognac bij.
Guuns en herres. - Heen en weer.
H
Hedde gij ene kwatta? - Heb jij een chololadereep?
Hedde ut al geheurd? - Heb je het al gehoord?
Hier zij'k weer. - Hier ben ik weer.
Hij braoit er niks van. - Hij brengt er niks van terecht.
Hij is zo maoger es un hermke.- Hij is zo mager als een lat.
Hij komt over. - Iemand die wijd weg woont, komt op bezoek en blijft slapen.
Hij lijkend sprékend op z`n voader. - Hij lijkt sprekend op zijn vader.
Hij viet ur lucht op. - Hij tilde haar op alsof ze zo licht was als een veertje.
Hoe hitte gij? - Hoe heet jij?
Hoe is't meugelijk. - Hoe bestaat het.
Hou toch oe harses! - Hou je mond!
Houd oew fikke thuis! - Hou je handen thuis!
Houd oew smoel. - Hou je mond!
Houd oew bakkes - Hou je mond!
Huib de Baker waarschouwen. - De verloskundige oproepen.
Hukke schoenen had ie aon? - Wat voor schoenen had hij aan?
Hukke sjurken hedde gij op oe heud? - Hoe staat jouw pet?
I
Ik gaai effe un endje de sluis op. - Van de kil of het centrum richting de 3 sluizen gaan.
ik kom van Uittik en ik wèt van niks. - Ik kom uit Uitwijk en weet nergens van.
Ik wil ginne kik meer heure. - Ik wil niks meer horen.
Ik zie ze al aon komme gepsen. - Daar komt een roddelaarster aan.
Ik zit op de gym; op 't koor - Ik ben lid van ...
In de klèn jong zitten. - Jonge kinderen hebben.
In de pejentijd zaten wij altijd onder de blubber. - In de suikerbietentijd zaten we altijd onder de modder.
k heb toch zukke meraaakelse earpel van de jaor, 3 in ne mudzak! - Ik heb geweldige aardappels dit jaar......
Ik wèt nie. - Ik weet niet.
K
Kek diejen haals toch es! - Kijk dat arme kind toch eens.
Komt oewe nest uit! - Kom je bed uit!
L
Lôp nie te dripselen. - Stop met ijsberen.
M
Mies zit nie zo te schrète! - Mens hou toch op met huilen!
M'n ogen beschieten. - Een dutje doen.
N
N(e)uk toch op! - Maak dat je weg komt!
Neffen oe. - Naast jou.
Nie mèr te banken. - Niet vol te houden.
Nukt ut doar mer njear. - Gooi of leg het daar maar neer.
O
Op de bonnefooi. - Zonder voorbereiding op reis.
Oewe nest opmaoke. - Je bed op maken.
Onte koek komt altijd uit. - Vals spelen fo doen, komt altijd uit.
Op alle dag lopen. - Hoog zwanger zijn.
Op de werf. - Rond het huis, op het erf.
P
Pro in de pot. - Knikkerterm.
Pro ma nie. - Knikkerterm.
Promanie - Voorloper van Xinix.
S
Slek op unne bierkaai. - Kat op het spek.
Stao nie zo te druppen.  - Als je de afwas aan het afdrogen bent:  Er valt wat water op de vloer.
T
't boven doen, beneje doen, buitenom doen. - Schoonmaken.
't Ènd afgaon. - Er vandoor gaan.
t Gaot aamper. - Het gaat maar net.
Tijding doen. - Op de hoogte brengen.
't Is me daor toch een bende - Het is een troep daar.
U
Ut wet wa. - Het is me toch wat.
Utwetwa - Nieuwendijks bandje
V
Van de beën zijn. - Niet kunnen lopen.
Van wie zijde gij er intje?  - Van wie ben jij er een?
Volluk!!! - Is er iemand thuis? Ook wel: Goed volluk!!
W
Wa doet ur op? - Wat is er aan de hand?
Wa kan mij dè neuken. - Wat kan mij dat schelen.
Wa lop de te kwikbillen. - Je loopt maar rond, maar komt tot niks.
Wa nukt mijn dè! - Wat kan mij dat schelen!
Wa zot dè! - Wat zou het.
Wa zijde an't hannusse? - Wat doe je?
Wa zijde ge toch unne piktolleke! - Tegen een kind dat zit te draaien zit op z'n stoel.
Wit ik veul. - Weet ik veel.
Z
Ze braait een trui. - Ze breit een trui.
Zij de nou al wjear vrommes? - Ben je nu alweer terug?
Zèk op unne riek. - Veel geschreeuw en weinig wol
Zij gaot wêer is aale pôttestellinge aaf - Zij is nooit thuis en altijd op visite
Zuut zijn. - Lief zijn.
Startpagina                 Facebook                Emailen

                
      
Terug naar de inhoud