Een pratje bij een platje - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Een pratje bij een platje
Wie kent hem niet? Ad Dolislager. (‘Houen zo’, zegt hij zelf).
 
Hoewel in zijn paspoort abusievelijk ‘Almkerk’ staat, is hij geboren in Nieuwendijk.
 
En is daar ook nooit meer weggegaan.
 
Alleen om de kost te verdienen dan…
 
Dat deed hij op wat gemeentehuizen hier in de buurt en alleen maar omdat Nieuwendijk er geen had.
 
Kortom dé man die in ‘het Nieuwendijkse plaatje’ past.
 
Hem hebben we gevraagd voor onze nieuwe rubriek: ‘Een pratje bij een platje’
De titel zegt het eigenlijk al: In deze rubriek laten we regelmatig een plaatje zien, waar hij dan een kort praatje over houdt.
We hopen dat u er veel kijk- en leesplezier aan zult beleven!
 

Wegwijzer

Mijn studie Mavo zat er bijna op. ‘Weet je al wat je hierna gaat doen?’, vroeg mijn mentor.
Nee dus.

‘Overleg dan maar met onze decaan, meneer van Roekel’.

Een paar dagen later trof ik hem op het schoolplein. Rijdend op zijn met twee fietstassen behangen opafiets.
Behendig laveerde hij tussen de scholieren door.

‘Meneer!’, riep ik.
‘Ja….?’
Hij remde meteen wat af en keek vragend in mijn richting.
Ik haalde hem vrij snel in en liep toen op een sukkeldrafje naast hem.

‘Naar welke school kan ik hierna het beste gaan?’
‘De Meao!’*
‘Maar ik heb nog nooit boekhouden gehad…’

Inmiddels naderden we de poort. Met een sierlijke bocht reed hij het schoolplein af.
‘Dat leren ze je dáár wel!’, riep hij me nog bemoedigend na.

‘Dat zal dan wel…’, zei mijn moeder. Toen ik haar van de uitkomst van dit consult op de hoogte bracht. ‘Maar als ik het goed begrijp, adviseert hij je dus om gewoon in Sleeuwijk op school te blijven…’

Klopte als een zwerende vinger. (Met de kennis van nu: ‘Hij van WC Eend…’)

Zelf dachten we eigenlijk meer aan een ‘tweede Havo-poging’. Dan zou ik weer naar Gorcum moeten. Ik had daar al eerder een jaar (met slecht gevolg) doorgebracht. ‘Vreemd…’, verzuchtte mijn moeder halverwege dat jaar, ‘…een school waar je helemaal geen huiswerk hoeft te maken…’

Het werd dus de Meao.
Voor mijn eerste repetitie boekhouden had ik een 10.
Daarna kwam ik al snel in de rode cijfers terecht.

Eén keer leek ik nog een opleving te krijgen.
Minzaam lachend gaf de boekhoudleraar me toen mijn repetitieblaadje terug.
‘Hónderd procent beter dan de vorige keer!’

Hoopvol keek ik op mijn blaadje.
Ik had een 2.

* Middelbaar Economisch en Administratief Onderwijs.

Hoe genaamd

Breedlachend stapte de nieuwe collega op me af.
‘Ha die Ad!’
‘Hoi …’
Geen idee wat zijn voornaam was.

Z’n achternaam was nogal ongebruikelijk, dat wist ik nog.
O ja: Konijn.
Ga natuurlijk geen ‘Hoi Konijn’ zeggen.

Even later ging de presentielijst rond.
Geen Konijn te bespeuren.
Wel een Wortel.

‘Weet je nou inmiddels ook z’n voornaam?’, vroeg een andere collega later.
‘Willie toch…?’
‘Néé joh!’



Pineut

Een tijdje lang was ze bij ons kind aan huis.
Voor haar opleiding moest ze een paar maanden stage lopen.
Ze koos voor een kledingwinkel.

Al na een paar weken zat ze weer thuis.
‘Hoe kwám dat nou, joh?’, vroeg huisgenote C.
‘Ze kregen me niet gemotiveerd, hè…’



Over zicht

Jarenlang heb ik er tegenaan gekeken. Het stond op het boekenrekje van mijn moeder. Tussen nog wat andere werken uit de Spiegelserie. ‘De seizoenen van het leven’, van Weija Bergman.

‘Het boek biedt ontspanning, maar laat ons ook nadenken over enkele uiterst gewichtige levensvragen’, aldus de uitgever. (Zomer & Keuning te Wageningen).

Gelezen heb ik het nooit. (Alleen maar van kaft tot kaft). Toch kreeg ook ik, denkend aan dit boek, een diepere gedachte. En dat werd tijd ook. Want, als ‘midden zestiger’, zit ik al dik in het stookseizoen.

Ik vroeg mij af waarom je, in eigenlijk al die vier levensseizoenen, bepaalde mensen opeens weer tegenkomt. Mannen of vrouwen die je al jaren niet meer hebt gezien. En daarna ook weer jarenlang niet. Maar dan opeens weer wel. Enz., enz.

Zelf heb ik dat met een BW-er (Bekende Werkendammer). Laat ik hem om privacyredenen maar Daan van den Keuvel* noemen. Ik zag hem voor het eerst op ‘De Wegwijzer’ in Sleeuwijk. Daarna kwam ik hem tegen via m’n werk. Want we hadden dezelfde roeping. (Om ambtenaar te worden). En later weer in de dorpspolitiek. Zo’n dertig (!) jaar geleden bekleedden wij hetzelfde politieke ambt. En sinds ongeveer anderhalf jaar is dat eigenlijk weer zo. Maar nu in de luwte. (En onbetaald).

Hebben wij in al die jaren ‘uiterst gewichtige levensvragen’ uitgewisseld? Ben bang van niet. Wel kijk ik met veel plezier terug op de onderlinge contacten uit ons hoogseizoen. (We waren toen halverwege de dertig). Eén gesprek is me altijd bijgebleven:

Hij: ‘Vrijdagsavonds  ga ik altijd naar de sauna. Dan kom ik echt tot rust, man. Krantje erbij…’
Ik: ‘Kan jij lezen zonder bril, dan…?’

‘Die hou ik gewoon op’.
‘Echt waar?!’
‘Waarom níet…?’

‘Dus dan zit jij daar iedere vrijdagavond…,
in je blote kont…,
met je bríl op?!’

‘Ja, wat dan…?
Anders zie ik geen reet!’


* (Zijn echte naam is bij de Sijtredactie bekend).


 

(L)On(g)gein

Humor op de afdeling Longgeneeskunde.
‘Straatnaambordjes’ in de gangen.
Met opschriften als Blaaskade en Long Plaza.

‘Wij láchen joh, in die wachtkamer’, zei ik thuis, tegen huisgenote C.
‘Toch miste ik er nog eentje: Luchtweg’.
‘Met of zonder spatie?’



‘Zang van de Hang’

Onze vrouwen waren er lid van. De ‘Jaarvergadering’ kwam weer in zicht. In ’t Uivernest. Een gezellige avond, met ‘levende muziek’ (door een bandje) en verschillende komische nummers (van eigen fabricaat).

‘Dit jaar moeten wij ook eens meedoen’, vond mijn ene schoonzuster. ‘Wíj zijn altijd zo saai…’ Mijn andere schoonzus en huisgenote C. sloten zich daarbij aan.

Wat later kwamen de dames op een nog beter idee. Mijn twee broers en ik werden als vrijwilligers aangewezen. Om ‘ook eens een keer wat leuks te doen’.

Leen, mijn jongste broer, wist meteen al wát: de overhemdentruc! Chris en ik zouden het onder ons colbertje te dragen overhemd zó draperen, dat alleen het bovenste knoopje dicht was, en onze armen níet in de mouwen zouden zitten. Leen zou, vanaf het podium, vrijwilligers naar voren roepen. Die werden dan gevraagd hun stropdas af te doen. Leen zou hun bovenste knoopje losmaken, ze bij hun overhemdboord pakken en dan, met één zwierige armzwaai, hun overhemd uittrekken.
Afgesproken. Succes verzekerd!

‘Dan moeten jullie natuurlijk wél meteen reageren, hè!’, zei hij een week later tobberig. ‘Anders komt er iemand ánders naar voren, en sta ik voor lul’.
‘Och, we zien wel hoe het loopt…’, zei Chris grinnikend. ‘Ná u!’, voegde ik er (met een galant handgebaar) nog jolig aan toe.
De grap viel niet goed. ‘Zíe je wel…! Ik verdóm het ook!’
Hoe we ook praatten (‘was maar een grapje, natúúrlijk doen we dat niet’, enz., enz.): de voorstelling ging níet door.

Goede raad was toen duur. (En de tijd nog maar kort). Uiteindelijk werd het een soort interactieve quiz. Leen zou de vragen stellen. Chris en ik zouden regelen dat steeds twee groepen vrijwilligers uit de zaal ze beantwoordden. De groepsleden kregen daarvoor een groot bord, met daarop één letter, om hun nek. De groep die als eerste het juiste antwoord wist, en de letters in de goede volgorde had staan, was de winnaar.
Zo gezegd, zo gedaan. Het liep die avond allemaal als een tierelier. De zaal deed goed mee, vrijwilligers genoeg.
Om de bedoeling goed duidelijk te maken, deden we eerst een (uit mijn brein ontsproten) voorbeeldvraag: ‘Hoe heet de quizmaster?’
Chris hing snel een ‘L’ om zijn nek, Leen en ik allebei een ‘E’, en iemand anders nog een ‘N’. Daarna gingen we zo gauw mogelijk op een rijtje staan.

Opeens grote lachsalvo’s vanuit de zaal. Vooral de drie schoonzusjes leken het niet droog te kunnen houden. We keken elkaar trots, maar ook lichtelijk verrast aan.

Mijn huisgenote C. wees naar de vier borden. Ik keek naar mijn buik, en toen naar die van de drie anderen.
Er stond ‘NEEL’.

Daarna hebben we geen variéténummers meer opgevoerd.
(De saaie schoonzusjes trouwens ook niet).


Startpagina                 Facebook                Emailen

                
      
Terug naar de inhoud