Een pratje bij een platje - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Een pratje bij een platje
Wie kent hem niet? Ad Dolislager. (‘Houen zo’, zegt hij zelf).
 
Hoewel in zijn paspoort abusievelijk ‘Almkerk’ staat, is hij geboren in Nieuwendijk.
 
En is daar ook nooit meer weggegaan.
 
Alleen om de kost te verdienen dan…
 
Dat deed hij op wat gemeentehuizen hier in de buurt en alleen maar omdat Nieuwendijk er geen had.
 
Kortom dé man die in ‘het Nieuwendijkse plaatje’ past.
 
Hem hebben we gevraagd voor onze nieuwe rubriek: ‘Een pratje bij een platje’
De titel zegt het eigenlijk al: In deze rubriek laten we regelmatig een plaatje zien, waar hij dan een kort praatje over houdt.
We hopen dat u er veel kijk- en leesplezier aan zult beleven!
 

Retteketet

Een oproerkraaier ben ik nooit geweest. Ook geen ordeverstoorder. (Was eerder op het schijterige af). Ben bijvoorbeeld dus nooit de klas uitgestuurd. Wel uit een winkel.
 
 
Want ik was brutaal geweest tegen de uitbater.
 
 
Hoe oud ik toen was? Half in de vijftig, schat ik.
 
 
Het gebeurde bij een bekende beddenzaak. Aan het eind van een werkdag wilde huisgenote C ‘graag nog even naar Gorcum’. Om een dekbed te kopen.

‘Liggen daar bovenin’, zei de beddenman vanachter de toonbank. Hij ging door met waar hij mee bezig was.
 
 
‘Waar dan precies?’, vroeg C.

‘Nee niet daar…, dáár!’ Hij wees naar een hoge stellingplank, achter in de zaak.

‘Kan jíj er soms bij…?’
 
 
Ik wilde in haar richting lopen, maar zag dat een stapeltje textiel van een schap dreigde te vallen. Schoof het wat meer naar het midden van de plank.

‘Wilt u daar alstublieft van áfblijven!’

‘Kom, we gaan weer’, zei ik tegen C.

We liepen naar de uitgang. (Zwaar verontwaardigd:) ‘Ik legde alleen maar wat recht, hoor!’
 
 
‘Weet u wel hoe drúk ik het vandaag heb gehad….?!’ (Nee, dat wist ik niet).
 
 
Inmiddels stond C. buiten en had ik de deurklink al vast. ‘Een cursusje klantvriendelijkheid kan geen kwaad, lijkt me…’

‘Ga de winkel maar uit!’, riep de man. Met een priemende vinger wees hij naar de deur. (Waar ik al stond). ‘Gá d’r maar úit!’

‘Man, ik ga al… Ú stuurt ons trouwens niet weg! Wíj lopen nu kwaad weg!’

‘Hoorde ik dat nou góed?’, vroeg C., toen ook ik inmiddels weer buiten stond. ‘Zei jij net écht tegen hem: ‘wij lopen nu kwaad weg…?!’
 
 
‘Wat had ik dán moeten zeggen…?’
 
 
Proestend liep ze naar de auto.
 
 

Dienstplicht

‘Gij onbekeerden in ons midden…
Heeft deze prediking een huivering bij u teweeggebracht…?
Voelt ge thans een huivering aan uw hart…?
Dan is dat een heilige huivering…!
Een héilige huivering, opdat…’

In deze trant ging de voorganger nog een tijd door. Hij hing inmiddels half over het spreekgestoelte. Steeds was hij even stil, om daarna zijn woordenstroom weer met dubbele kracht aan te zetten.
Vurige prediking. Tijdens een feestelijke gebeurtenis. De opening van een nieuw kerkgebouw in kerk(en)dorp W.
Ik mocht in de feestvreugde delen.

‘Het ging eigenlijk in golven’, rapporteerde ik na afloop terug aan huisgenote C.
‘Een soort overgeven met woorden…’

‘Gatverdamme! Hou’s óp, joh.’

‘Ja, dat dacht ik dus ook de hele tijd… Maar dat deed-ie niet.
Duurde bijna de hele avond: van zeven uur tot over tíenen!’

‘En daar moest jíj persé naar toe…? Jíj bent toch geen burgemeester…?’

‘Nee, maar die had een belangrijke afspraak’. (Met zijn caravan, hoorde ik later).

Een paar jaar later hadden de burgemeester en ik het pluche alweer verlaten.
Zijn opvolger was ook uitgenodigd om ter (zelfde) kerke te gaan. Samen met zijn eega.

‘Moet je wél een hoedje op natuurlijk’, had hij tegen haar gezegd.

‘Nou, dat viel niet goed, hoor! Lógisch natuurlijk…’, vond hij. (Want hij was een stuk nieuwerwetser dan z’n ambtsvoorganger). ‘Maar ja…, het moest nou eenmaal’.
‘Komt ze daar even later de trap af met zóó’n kort rokje!’ Met brede gebaren wees hij naar een plek op zijn broek. (Net iets onder de plaats waar de romp van naam verandert).
 
 
Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Ik zeg: dat kan natuurlijk écht niet!!’

‘Zij terug naar boven. Nóg harder mopperend, dat begrijp je’.

‘Komen we daar aan, nog net op tijd, gelukkig’.
‘Dag burgemeester, wat een verrassing!’
‘Verrassing…? zeg ik. We zijn toch uitgenodigd!’

‘Waren we dus in de verkéérde kerk…!’

En ook dáár was sprake geweest van nogal wat verbale turbulentie. (Begreep ik uit de rest van zijn verhaal).
 
 
‘Traone voor de Heer!’, zei hij met stemverheffing. ‘Tráone voor de Heer!!, daar blééf die man maar over aan de gang… En dat dúúrde, jongen!’

‘Weet ik. Maar hoe liep het nu af…?’

‘Tsja…, de maandag erna belde ik de scriba:
we zaten in de verkeerde kerk’.

 
‘Heb ik gehoord…
Geeft niks.
Aanstaande zondag hebben we weer een dienst’.
 

Onthulling

Hij stond bekend als een echte sierprater, de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Aan de paartjes die in ondertrouw gingen vroeg hij dan ook niet of ze familie van elkaar waren, maar:
‘Bent u aan elkaar geparenteerd?’

Een ‘bijna bruid’ verschoot van kleur.
‘Maar één keer hoor…’  

Verlegen lachend keek ze haar aanstaande aan.
‘Toch…?’


Zakenvrienden

Hij had handelsgeest, de nieuwe burgemeester.
Net als de gemeentebode.
Ze hadden elkaar dus al gauw gevonden.

De ambtswoning daar was veel groter geweest. Dus de burgemeester wilde nogal wat spulletjes kwijt. Dat kon via het sufferdje. Met mini-advertenties. Die waren gratis.

‘Kan ik natuurlijk niet zelf doen…, dat vinden de mensen vreemd’, vertrouwde hij de bode toe.
 
‘Kunt u dat voor mij regelen? Hoeft niet voor niks. U krijgt tien procent’.
De bode vond het een hele eer.

Niet lang daarna stopte de volgeladen Volvo voor zijn woning. De inhoud werd in zijn garage gezet. Dat herhaalde zich nog een paar keer.

Van elke lading kregen wij, als de bode onze koffie inschonk, een korte update.

‘Waar bén ik aan begonnen!?’, zei hij na een paar weken.
 
‘M’n hele garage ligt al bijna vol… En verkopen, ho maar… Allemaal ouwe troep!’

‘O ja, joh…?’ (Vroeg ik, om hem nog wat verder uit te horen).
 
 
Hij keek me met een verontwaardigde blik aan. ‘Niet te gelóven, man… Komt-ie zelfs met een oude WC-bril aanzetten! Ik zeg: kóm nou! Die ga ik echt niet in dat krantje zetten... Die flikker ik zélf ook altijd weg!’

Er klonk een gesmoord gelach. (Want inmiddels luisterde de hele afdeling mee).

‘Weet je wat-ie toen zei…?’ (Hij ging nu gemaakt deftig praten). ‘O, ik dacht dat u daar nog wel een rijksdaalder voor kon vragen…’
 
 
Hij tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd.
 
‘Een rijksdáálder…!’

‘Véél meer vragen, man!’, riep iemand.
 
‘Maar dan moet je er wél bijzetten: Uw burgemeester heeft er nog op geschxxxx!’ (Censuur).
 
 
Epiloog
 
 
Hoe het nou afliep…?
 
 
Een snelle rekensom leerde dat de bode van die 10% provisie niet echt vet zou worden.
 
Maar dat maakte de burgemeester bij de eindafrekening goed. Hij mocht ook de onverkoopbaar gebleken bloempotten houden.
 
(‘Bijna allemaal van die aftandse oranje binnenpotten…’, zei hij tijdens de eerstvolgende koffieronde).
 
 
Een tijdje later stond de burgemeestersvrouw voor zijn deur.
 
‘Misverstand. Ik had ze al aan een vriendin beloofd’.

Wegwijzer

Mijn studie Mavo zat er bijna op. ‘Weet je al wat je hierna gaat doen?’, vroeg mijn mentor.
Nee dus.

‘Overleg dan maar met onze decaan, meneer van Roekel’.

Een paar dagen later trof ik hem op het schoolplein. Rijdend op zijn met twee fietstassen behangen opafiets.
Behendig laveerde hij tussen de scholieren door.

‘Meneer!’, riep ik.
‘Ja….?’
Hij remde meteen wat af en keek vragend in mijn richting.
Ik haalde hem vrij snel in en liep toen op een sukkeldrafje naast hem.

‘Naar welke school kan ik hierna het beste gaan?’
‘De Meao!’*
‘Maar ik heb nog nooit boekhouden gehad…’

Inmiddels naderden we de poort. Met een sierlijke bocht reed hij het schoolplein af.
‘Dat leren ze je dáár wel!’, riep hij me nog bemoedigend na.

‘Dat zal dan wel…’, zei mijn moeder. Toen ik haar van de uitkomst van dit consult op de hoogte bracht. ‘Maar als ik het goed begrijp, adviseert hij je dus om gewoon in Sleeuwijk op school te blijven…’

Klopte als een zwerende vinger. (Met de kennis van nu: ‘Hij van WC Eend…’)

Zelf dachten we eigenlijk meer aan een ‘tweede Havo-poging’. Dan zou ik weer naar Gorcum moeten. Ik had daar al eerder een jaar (met slecht gevolg) doorgebracht. ‘Vreemd…’, verzuchtte mijn moeder halverwege dat jaar, ‘…een school waar je helemaal geen huiswerk hoeft te maken…’

Het werd dus de Meao.
Voor mijn eerste repetitie boekhouden had ik een 10.
Daarna kwam ik al snel in de rode cijfers terecht.

Eén keer leek ik nog een opleving te krijgen.
Minzaam lachend gaf de boekhoudleraar me toen mijn repetitieblaadje terug.
‘Hónderd procent beter dan de vorige keer!’

Hoopvol keek ik op mijn blaadje.
Ik had een 2.

* Middelbaar Economisch en Administratief Onderwijs.

Hoe genaamd

Breedlachend stapte de nieuwe collega op me af.
‘Ha die Ad!’
‘Hoi …’
Geen idee wat zijn voornaam was.

Z’n achternaam was nogal ongebruikelijk, dat wist ik nog.
O ja: Konijn.
Ga natuurlijk geen ‘Hoi Konijn’ zeggen.

Even later ging de presentielijst rond.
Geen Konijn te bespeuren.
Wel een Wortel.

‘Weet je nou inmiddels ook z’n voornaam?’, vroeg een andere collega later.
‘Willie toch…?’
‘Néé joh!’



Pineut

Een tijdje lang was ze bij ons kind aan huis.
Voor haar opleiding moest ze een paar maanden stage lopen.
Ze koos voor een kledingwinkel.

Al na een paar weken zat ze weer thuis.
‘Hoe kwám dat nou, joh?’, vroeg huisgenote C.
‘Ze kregen me niet gemotiveerd, hè…’



Over zicht

Jarenlang heb ik er tegenaan gekeken. Het stond op het boekenrekje van mijn moeder. Tussen nog wat andere werken uit de Spiegelserie. ‘De seizoenen van het leven’, van Weija Bergman.

‘Het boek biedt ontspanning, maar laat ons ook nadenken over enkele uiterst gewichtige levensvragen’, aldus de uitgever. (Zomer & Keuning te Wageningen).

Gelezen heb ik het nooit. (Alleen maar van kaft tot kaft). Toch kreeg ook ik, denkend aan dit boek, een diepere gedachte. En dat werd tijd ook. Want, als ‘midden zestiger’, zit ik al dik in het stookseizoen.

Ik vroeg mij af waarom je, in eigenlijk al die vier levensseizoenen, bepaalde mensen opeens weer tegenkomt. Mannen of vrouwen die je al jaren niet meer hebt gezien. En daarna ook weer jarenlang niet. Maar dan opeens weer wel. Enz., enz.

Zelf heb ik dat met een BW-er (Bekende Werkendammer). Laat ik hem om privacyredenen maar Daan van den Keuvel* noemen. Ik zag hem voor het eerst op ‘De Wegwijzer’ in Sleeuwijk. Daarna kwam ik hem tegen via m’n werk. Want we hadden dezelfde roeping. (Om ambtenaar te worden). En later weer in de dorpspolitiek. Zo’n dertig (!) jaar geleden bekleedden wij hetzelfde politieke ambt. En sinds ongeveer anderhalf jaar is dat eigenlijk weer zo. Maar nu in de luwte. (En onbetaald).

Hebben wij in al die jaren ‘uiterst gewichtige levensvragen’ uitgewisseld? Ben bang van niet. Wel kijk ik met veel plezier terug op de onderlinge contacten uit ons hoogseizoen. (We waren toen halverwege de dertig). Eén gesprek is me altijd bijgebleven:

Hij: ‘Vrijdagsavonds  ga ik altijd naar de sauna. Dan kom ik echt tot rust, man. Krantje erbij…’
Ik: ‘Kan jij lezen zonder bril, dan…?’

‘Die hou ik gewoon op’.
‘Echt waar?!’
‘Waarom níet…?’

‘Dus dan zit jij daar iedere vrijdagavond…,
in je blote kont…,
met je bríl op?!’

‘Ja, wat dan…?
Anders zie ik geen reet!’


* (Zijn echte naam is bij de Sijtredactie bekend).


 

(L)On(g)gein

Humor op de afdeling Longgeneeskunde.
‘Straatnaambordjes’ in de gangen.
Met opschriften als Blaaskade en Long Plaza.

‘Wij láchen joh, in die wachtkamer’, zei ik thuis, tegen huisgenote C.
‘Toch miste ik er nog eentje: Luchtweg’.
‘Met of zonder spatie?’



‘Zang van de Hang’

Onze vrouwen waren er lid van. De ‘Jaarvergadering’ kwam weer in zicht. In ’t Uivernest. Een gezellige avond, met ‘levende muziek’ (door een bandje) en verschillende komische nummers (van eigen fabricaat).

‘Dit jaar moeten wij ook eens meedoen’, vond mijn ene schoonzuster. ‘Wíj zijn altijd zo saai…’ Mijn andere schoonzus en huisgenote C. sloten zich daarbij aan.

Wat later kwamen de dames op een nog beter idee. Mijn twee broers en ik werden als vrijwilligers aangewezen. Om ‘ook eens een keer wat leuks te doen’.

Leen, mijn jongste broer, wist meteen al wát: de overhemdentruc! Chris en ik zouden het onder ons colbertje te dragen overhemd zó draperen, dat alleen het bovenste knoopje dicht was, en onze armen níet in de mouwen zouden zitten. Leen zou, vanaf het podium, vrijwilligers naar voren roepen. Die werden dan gevraagd hun stropdas af te doen. Leen zou hun bovenste knoopje losmaken, ze bij hun overhemdboord pakken en dan, met één zwierige armzwaai, hun overhemd uittrekken.
Afgesproken. Succes verzekerd!

‘Dan moeten jullie natuurlijk wél meteen reageren, hè!’, zei hij een week later tobberig. ‘Anders komt er iemand ánders naar voren, en sta ik voor lul’.
‘Och, we zien wel hoe het loopt…’, zei Chris grinnikend. ‘Ná u!’, voegde ik er (met een galant handgebaar) nog jolig aan toe.
De grap viel niet goed. ‘Zíe je wel…! Ik verdóm het ook!’
Hoe we ook praatten (‘was maar een grapje, natúúrlijk doen we dat niet’, enz., enz.): de voorstelling ging níet door.

Goede raad was toen duur. (En de tijd nog maar kort). Uiteindelijk werd het een soort interactieve quiz. Leen zou de vragen stellen. Chris en ik zouden regelen dat steeds twee groepen vrijwilligers uit de zaal ze beantwoordden. De groepsleden kregen daarvoor een groot bord, met daarop één letter, om hun nek. De groep die als eerste het juiste antwoord wist, en de letters in de goede volgorde had staan, was de winnaar.
Zo gezegd, zo gedaan. Het liep die avond allemaal als een tierelier. De zaal deed goed mee, vrijwilligers genoeg.
Om de bedoeling goed duidelijk te maken, deden we eerst een (uit mijn brein ontsproten) voorbeeldvraag: ‘Hoe heet de quizmaster?’
Chris hing snel een ‘L’ om zijn nek, Leen en ik allebei een ‘E’, en iemand anders nog een ‘N’. Daarna gingen we zo gauw mogelijk op een rijtje staan.

Opeens grote lachsalvo’s vanuit de zaal. Vooral de drie schoonzusjes leken het niet droog te kunnen houden. We keken elkaar trots, maar ook lichtelijk verrast aan.

Mijn huisgenote C. wees naar de vier borden. Ik keek naar mijn buik, en toen naar die van de drie anderen.
Er stond ‘NEEL’.

Daarna hebben we geen variéténummers meer opgevoerd.
(De saaie schoonzusjes trouwens ook niet).


Startpagina                 Facebook                Emailen

                
      
Terug naar de inhoud