Een pratje bij een platje - Nieuwendijk Sijt

Ga naar de inhoud

Een pratje bij een platje
Wie kent hem niet? Ad Dolislager. (‘Houen zo’, zegt hij zelf).
 
Hoewel in zijn paspoort abusievelijk ‘Almkerk’ staat, is hij geboren in Nieuwendijk.
 
En is daar ook nooit meer weggegaan.
 
Alleen om de kost te verdienen dan…
 
Dat deed hij op wat gemeentehuizen hier in de buurt en alleen maar omdat Nieuwendijk er geen had.
 
Kortom dé man die in ‘het Nieuwendijkse plaatje’ past.
 
Hem hebben we gevraagd voor onze nieuwe rubriek: ‘Een pratje bij een platje’
De titel zegt het eigenlijk al: In deze rubriek laten we regelmatig een plaatje zien, waar hij dan een kort praatje over houdt.
We hopen dat u er veel kijk- en leesplezier aan zult beleven!
 

Bij de tandarts

Tandartsbezoek in buurdorp S.
(Inmiddels alweer een paar decennia geleden).

Zodra je de wachtkamer binnenkwam, zag je het prikbord.
Met daarop een A4-tje.

‘Kies uw tandarts!’
Stond er met grote, onregelmatig geschreven viltstiftletters op.
Daaronder (in hetzelfde lettertype) een datum.
En: ‘Waterschapsverkiezingen’.

Ik bleef er even naar kijken.

‘Hij wil graag dat je op ‘m stemt’.
(Legde een van de ‘drie wachtenden vóór me’ mij uit).

‘Leuk bedacht, die slogan’, zei ik na het spoelen.
‘Ik zou er alleen nog wel een kies bij tekenen…
Anders snapt misschien niet iedereen het’.

‘Wat bedoelt u?’

‘Kíes uw tandarts!’
(Ik wees naar een van m’n kiezen).

Hij draaide zich om naar de assistente.

‘Hóór je dat, Cocky…?!’

Een paar jaar later waren C. en ik bij hem op controlebezoek.
We gingen samen de spreekkamer in.
Eerst C. in de stoel, daarna ik.

Ik lag met m’n mond wagenwijd open.
De tandarts stond er volop in te schrapen en te punniken.
(Deden tandartsen toen nog allemaal zelf).

‘Slecht weer, hè…?’
Zei Cocky intussen tegen C.

Ik schoot in de lach. Dacht:

‘Het is toch altijd lente…
in de ogen van de tandartsassistente?!’

‘Lag jij nou te grinniken, in die tandartsstoel…?’
Vroeg C., toen we weer op de terugweg waren.

‘Ik voelde, al zeg ik het zelf, een dijk van een grap opkomen’.

(Vertelde haar de verzonnen grap).

‘Maar ik kon op dat moment niks zeggen.’

C. keek me onbewogen aan.

‘Maar góed ook!’



Wonderschoon?

Volgens de profielschets moest ik omgevingsgericht zijn.
Zo gevraagd, zo gedaan.

Dus als nieuwbakken secretaris van A. (we schrijven eind vorige eeuw) hield ik scherp in de gaten wat er allemaal gebeurde.
Vooral in de beide buurgemeenten. (W. en W.)

Zo was het niet aan mijn aandacht ontsnapt, dat zij in de decembermaand allebei een joekel van een kerstboom in de hal van het gemeentehuis hadden staan.

‘Moeten wij ook doen!’, stelde ik voor.
Maar over dit wilde idee werd vrijwel meteen een veto uitgesproken.
Door de wethouder van ’s lands oudste politieke (beginsel)partij.
(‘Vèuls te wèèrelds’).

Een paar jaar later waaide er een liberalere wind.
Ik greep meteen mijn kans.

‘Prima!’, zei de nieuwe wethouder.
Die over de centen ging.
En daarom niet te beroerd was om zich overal mee te bemoeien.
(‘Want alles draait nou eenmaal om de knaken’).

‘Lijkt me typisch een klusje voor …’
(Hij noemde de naam van een baliemedewerkster).
‘Die heeft toch weinig te doen’.

‘Die altijd zo’n hesje aan heeft van konijnenbont, bedoel je?
Zal een sjieke boom worden, dan…’

Hij keek me nadenkend aan.
‘Je hebt gelijk. ’t Moet wel een beetje stijlvol zijn…’

‘Ik vraag het wel aan C.
Die heeft smaak.
Pikt er in winkels altijd gelijk het duurste tussenuit’.
‘Ha, ha. Die van mij ook!’

‘Zeg maar dat ze dan van die ballen kiest, die naar binnen toe een beetje gedeukt zijn. Daar hou ik van’.

‘Zit jij nou serieus te regelen welke bállen ze moet kiezen…?!’

Hij schoot in de lach.
‘Ik ga weer te ver, zeker? Afijn, kíjk maar ook…’

Dus wij de eerstvolgende vrijdagavond meteen (met volledig vrij mandaat) naar Tuincentrum K.

Op de heenweg zei ik dat de kerstboom (in zware kringen) sowieso al gevoelig lag, en daarom niet te opzichtig moest zijn.
‘Zo refo proof als ’t maar kan, dus…’

Bij het binnenlopen zei C.: ‘Er zijn kunstbomen waar de lichtjes al inzitten’.
‘Die nemen we, is veel praktischer’

‘Hebben jullie die?’, vroeg ze aan een medewerkster van de kerstafdeling.
‘Ja hoor…
Maar dat wordt dan wel ná de kerst’.

‘Huh…?’
(C. keek me tamelijk verbijsterd aan).

‘Ja, want die hebben we allemaal al opgetuigd’.

(Dus werd het toch nog een old school kerstboom, met losse lichtjes).

De zaterdagochtend erop reden we met volle (kerst-)bepakking naar het gemeentehuis van A.
Aan het eind van de ochtend waren we klaar.
En (al zeg ik het - mede namens C. - zelf), het resultaat mocht er zijn:
Een stijlvolle boom, met alle ballen in dezelfde warme kleur.

Die maandagochtend was de verrassing groot.
‘De vorige wethouder heeft er wel minutenlang naar staan kijken’.
(Zei de medewerkster met het konijnenbonte hesje).
‘Maar ik denk niet dat hij het mooi vond’, zei ze er nog grinnikend bij.

Een paar jaar later vertrok de liberale wethouder en korte tijd daarna ging ook ik weg.
(Trad, na een soepel verlopen transfer, bij een van de twee ‘W-gemeenten’ in dienst).

Toen ik tijdens de eerstvolgende kerstperiode weer eens het gemeentehuis van A. binnenliep, zag ik dat er nu een compleet andere kerstboom stond.

Een echte aandachtstrekker:
een boom met felle lichtjes, glinsterende slingers en bomvol bontgekleurde ballen.
Ik bleef er even stil bij staan.

‘Mooi hè…?’
(Riep meergenoemde medewerkster vanachter de balie).

‘Die vorige vonden we allemaal zo saai’.


Gouden tip

 
 
Ontmoeting bij Supermarket De Bok.
 
(Tegen sluitingstijd).
 
 
De oude vrouw kwam op ons af.
 
‘Oh, nou zie’k ut. Zijde gíj het…?’
 
(Dat beaamde ik).
 
 
‘Dès lang geleeje!’
 
 
Vroeger kwam ze weleens bij m’n moeder.
 
Ze las, vertelde ze destijds, de leesmap.
 
(Net als wij).
 
Met één uitzondering: ‘De Lach’.
 
(Destijds mijn favoriete blad).
 
 
Die ‘blotekontenparade’ kwam bij haar het huis niet in.
 
 
‘Mar wah zie ‘k nóu toch…?’
 
‘Hedde een keind?’
 
‘Klopt’.
 
 
(Ze keek in de kinderwagen).
 
 
‘Ôh…’
 
‘Aongenohme zêeker?’
 
‘Ja, we hebben haar in Sri Lanka gehaald’.
 
 
‘Mar… verstáot ze jullie dan wel…?’
 
‘Ze is tien weken’.
 
‘Oô jah, netuurlek…’
 
 
‘Maar ljiêer de ze wél gewôon Nêederlaans?’
 
‘Ja, want wij praten geen Srilankaans’.
 
‘Neeje, netuurlek nie…’
 
 
Ik vreesde dat er nog veel meer vragen zouden opborrelen.
 
Dus probeerde het gesprek zo zachtjesaan af te ronden.
 
 
‘Nou, tot ziens maar weer, hè…?’
 
 
Zocht C. op. (Die inmiddels al verder de winkel in was).
 
‘Wat vróeg zij nou allemaal…?’
 
 
(Voor ik kon antwoorden, riep de vrouw me nog iets na).
 
 
‘Wat zegt ze nóu…?!’
 
 
‘Mar grwhôot gelijk, hor…’
 
‘Níe weghauwe, deh keind’.
 
‘Gewhôon mee naor buite gaon!’
 
 


Size does matter

Jarenlang oefende ik het oudste beroep van de wereld uit.
(Oké, op één na dan…)

Ik was gemeentesecretaris.
Die functie wordt in de Bijbel al genoemd:
‘En hij (de secretaris van Efeze) bracht de schare tot kalmte’.

Dat heb ik persoonlijk nooit hoeven doen.
Daar is tegenwoordig de (pas eeuwen later ingevoerde) burgemeester voor.
(En die belt bij dreigend massaal kalmteverlies al snel de ME).

Wat die functie dan wél precies inhoudt…?
Tsja…
Dat heb ik heel vaak moeten uitleggen.
(Maar is me eerlijk gezegd nooit goed gelukt).

De kortste definitie die ik ooit hoorde is:
 
‘een gemeentesecretaris is een baasje dat tevens het knechtje is’.

In die laatste hoedanigheid mocht ik in de b en w-vergaderingen altijd de koffie inschenken.

Die ochtend was er een actiegroep op bezoek.
 
Want er moest hoognodig een speeltuin in de gemeente komen.

‘Jij lust wel cola, zeker…?’
Zei ik onder het koffieschenken minzaam tegen het kleinste delegatielid.

(Goed dat de doelgroep zelf ook vertegenwoordigd is, dacht ik nog).

‘Hoezo…?!’
‘Doe maar gewoon koffie, hoor!’

Pas toen keek ik haar recht in het (doorleefde) gezicht.

Gelukkig bleef ze kalm.
 


Hand job

Met z’n viertjes waren we weer terug.
In Sri Lanka.
Een paar jaar na onze laatste adoptiereis.

Diner in ons hotel:
Een man kwam naar ons tafeltje.
‘Professor’ stond er op zijn naamkaartje.

Of hij mijn hand mocht lezen.
Het kostte 10 dollar.
Vond ik geen geld voor een professor.

Hij ging zitten en nam mijn rechterhand in de zijne.
Met een strakke blik volgde hij m’n handlijnen.
En trok zijn eerste conclusie.
 

Die was meteen raak:
‘Two children. Both adopted’.

C schoot in de lach.
(Want ze stonden allebei tegen me aangekleefd).

De professor keek even op.
 
Maar ging onverstoord verder met de verkenning van mijn handpalm.

‘Long life’.

Ik keek C tevreden aan.
 

‘Laten we het hopen’.
 
 
Even later:
‘Good humor’.

Zocht weer oogcontact met C.
(Had mijn geld er nu al uit, vond ik).

Ze grinnikte.
‘Hangt er maar helemaal vanaf wat je onder goed verstaat’.

Nu ging de professor er goed voor zitten.
 
Hij trok m’n hand nog wat meer naar zich toe.
 
En volgde met zijn wijsvinger een van de lijnen op mijn hand.

‘Good sexlife’.

(Keek C met een schuin oog aan).

Ze vertrok geen spier.
 

Naamval

Die zondagavond was het zover. M’n broer had hem onder de knie gekregen.
De psalmtekst die hij maandagochtend op school zou moeten opzeggen.

Met daarin de volzin:
‘Den Heer, die aan Zijn erfvolk dacht, en door Zijn liefderijk bestel, verlossing heeft teweeg gebracht’.

Tijdens het leerproces had mijn moeder hem regelmatig overhoord.
Ze schoot daarbij steeds in de lach.
Want ‘erfvolk’ kende mijn broer niet.
Hij vond het logischer dat den Heer aan zijn ‘werkvolk’ dacht.
En bleef dat ook stug volhouden.
(Tot in de klas toe).

Jaren later was het mijn beurt om elke zondag ‘mijn psalm te leren’.
Grote moeite, klein plezier.

Want een paar jaar later al kwam er een nieuwe - eigentijdsere - psalmberijming.
Waarbij mijn broers taalvondst helaas niet werd toegepast.
(Erfvolk werd gewoon volk).

Uit het hoofd meezingen was er toen niet meer bij.
Hoewel in het begin een enkeling dat gewoon nog deed.
Dat vertelde me destijds Wim van Maastricht (die bij Crescendo naast me zat).
In de kerk had zijn achterbuurman nog wekenlang de oude psalmteksten ten gehore gebracht.
‘Als énige… En uit vólle borst, hè…! Is toch een raar gehoor’.

Mijn broer heb ik nooit op enthousiast meezingen kunnen betrappen.
Hij viel altijd in slaap. En maakte daar ook geen geheim van.
(‘Zo gauw ik over de drempel stap, begin ik al te knikkebollen’).

Later raakte hij (toch) nog een tijdje bevriend met een dominee.
Tijdens de eerste visite in de pastorie was het domineesechtpaar even naar achteren gegaan.

Mijn broer aaide de huishond, tot die even later ook wegliep.

‘Waar is Boto?’, vroeg de domineesvrouw vanuit de keuken.

‘Weet ik niet’, antwoordde de dominee.

‘Hij liep hier net nog…’, riep mijn broer behulpzaam terug.

De domineesvrouw kwam weer in de kamer.
‘Wáár dan?’

Mijn schoonzus stootte m’n broer aan.

‘Wát…?!’

‘Ssst!’, fluisterde mijn schoonzus.
(De dominee ging voorbij).

‘Geen idee waar Boto is…’, zei de dominee.
‘Hij is met de brommer weg’.

M’n broer vertelde het voorval nog vaak na.
Steeds smeuïger.

Met als eindversie:
‘Dus ik zei toen: hij liep hier net nog rond te snuffelen...’

‘Níet wáár!’, riep m’n schoonzus.

Zwemdiploma

‘Kijk ‘m toch eens zwemmen! ’t Is gewoon een lust!’
Zei de buurvrouw trots.
Over haar zoon.
(Met wie ik bevriend was).

Mijn moeder deelde haar mening.
(En gaf dat zuinigjes toe).

‘Voorúit …, jij ook!’

Ik zat alweer bibberend aan de kant. Met alleen nog mijn voeten in het water.

Kort daarvoor had de buurvrouw mijn moeder zo ver gekregen om ook naar ‘de put’ te komen. Een eindje verderop van waar wij woonden. Tussen de Buitendijk en de griend.
De put was een uitloper van de ‘Bleeke Kil’. (In de Nieuwendijkse volksmond kortweg ‘de Bleek’ genoemd).

Met tegenzin liet ik me verder in het water zakken. En maakte - voor de vorm - ook wat zwembewegingen.
Thuis kreeg ik ze uitgemeten. ‘Doe toch niet zo bescheten!’

Maar zo voelde ik me nu juist wel.
Want de put stond in regelrechte verbinding met de sloot achter ons huis.
En daar kwamen nogal wat rioolpijpen op uit.
Ook had ik, ondanks het troebele water, duidelijk prikkeldraad zien liggen.

Een paar weken later kwam mijn vriendje met het nieuwtje dat je in Sleeuwijk je zwemdiploma kon halen. ‘Kost maar een rijksdaalder’.
Mijn moeder had er weinig fiducie in (‘Kun jij zwemmen, dan…?’) Maar sprak geen veto uit.

Dus gingen wij op de examendag – op de fiets – naar Bijtelskil.
‘Het schoonste natuurbad in de wijde omgeving’, stond er op het entreekaartje.
Maar zo schoon vonden wij het daar niet. Het water had daar precies dezelfde kleur als dat van de put.
Pas jaren later kreeg ik door dat met ‘schoonste’ waarschijnlijk ‘mooiste’ werd bedoeld. (Want ook de overige tekst op het kaartje was nogal oubollig geweest).

Er waren flink wat examinandi.
Toen iedereen zijn rijksdaalder betaald had, begonnen we met de schoolslag.
Verschillende werden er meteen door de badmeester/examinator uitgepikt. (En naar de kant gedirigeerd).
Wij niet.

Toen kwam het rugzwemmen.
Zo gauw m’n vriendje op zijn rug in het water lag, begon hij met z’n – wijd uitgespreide – armen ferme maaibewegingen door het water te maken.
(Had-ie op t.v. gezien, vertelde hij later. Bij ‘Sport in Beeld’).
Het water spatte aan beide kanten hoog op.

Dit trok de aandacht van de examinator.
‘Wat ben jíj nou aan het doen…?!
Kom er maar uit’.

Ik deed wél (net als de rest) mijn handen keurig in m’n zij.
Maar was bij dit onderdeel ook geen uitblinker.

Want ik ging bij de rugslag altijd helemaal scheef.
En had op m’n rug nog nooit een heel bad overgezwommen.

Het eerste probleem loste zich tijdens het examen vanzelf op.
Links en rechts van mij zwom nu ook iemand, zodat ik beter koers kon houden.
(Slechts één keer snauwde een ventje dat ik óm moest).

Over het tweede punt kan ik ook kort zijn.
Onder de druk van deze buitenissige omstandigheden wist ik mijn persoonlijk record te verbreken.
Plotseling bleek ik aan de overkant te zijn.
(Dat merkte ik, omdat ik met m’n kop opeens tegen de houten damwand botste).

Bij de laatste zwemproef, watertrappelen, sprong ook mijn vriendje gewoon weer in het water. (Blijkbaar mocht dat).
Bij dit onderdeel stak hij echt met kop en schouders boven mij uit.
(En kon ik me dus vrij goed achter hem verschuilen).
Het lukte me om m’n wijsvingers boven water te houden.
Mijn grootste probleem was m’n hoofd.
(Dreigde steeds kopje onder te gaan).

Bij het voorlezen van de uitslag werd bij de ‘D’ mijn naam genoemd.
Er ontsnapte me een korte vreugdekreet.
Als ik het me goed herinner: ‘hoi!’
(Want ‘yés’ was nog niet in de mode).

Mijn vriendje bleef intussen het aflezen van de namen gespannen volgen.
(Ook toen zijn letter allang voorbij was).

Bij onze thuiskomst stond de buurvrouw al op de dijk.
‘En…, wie is er allemaal gezakt?’
‘Ikke’.
‘Wat!? Hoe kán dat…?’
‘En jij…?’, zei ze tegen mij
‘Geslaagd!’
Ze ging meteen naar binnen.

‘Zei ze helemaal niks, joh?’, vroeg mijn moeder.
Toen ze – op mijn nadrukkelijk verzoek – diezelfde avond het embleem op mijn zwembroek naaide. (Dat ik die middag ook gekregen had).

Daarop was een (nogal onbeholpen gestileerde) zwemmer te zien.  
Die tegen een gekroonde ‘A’ aanzwom.
Hij deed de borstcrawl.
(Hoewel die niet in het A-diploma pakket zat).

Een jaar later gingen we naar Werkendam.
Daar hadden ze een spiksplinternieuw zwembad.

Ik snel naar het derde bad natuurlijk.
Al vrij snel sprak de badmeester me aan.

‘Zwem eens een eindje op je buik… En daarna op je rug’.
Zo gevraagd, zo gedaan.
(Ik deed natuurlijk mijn uiterste best).

En, ja hoor, hij stak zijn duim omhoog!
Opgelucht zwom ik verder.

Even later:
‘Zwem je hier nu nóg?! Jij moet naar het tweede bad!’
(Opeens snapte ik het… Hij had met zijn duim in die richting gewezen).

‘Maar ik heb een diploma!!’
(Wees naar het op mijn zwembroek genaaide bewijs).
‘In Sleeuwijk gehaald, zeker…?
Ik knikte.
‘Dacht ik al…’

Blijkbaar oogde ik nogal aangeslagen, want nadat hij even had nagedacht:
‘Nou vooruit…
Blijf maar in het derde bad, dan.
Maar alleen waar je nog kunt staan.
Echt ónverantwoord anders!’




Over (een) jas

Ze waren - in de woorden van mijn moeder - ‘méér als recht vooruit’.

Haar ‘beste allemaal-brieven’ moest ik daarom, voor ze verstuurd konden worden, eerst kritisch doorlezen. (‘Anders lachen ze er soms om…’)

Zij was een nicht van mijn vader. Hij Technisch Hoofdambtenaar in Den Bosch.

Hoewel mijn moeder nogal tegen hen opkeek, zag ze ook wel wat minpunten.

‘Zij heeft een scheerapparaat!’, hoorde ik haar eens (besmuikt lachend) tegen de buurvrouw zeggen.

‘Echt wáár…?!’

(Giel Heijstek verkocht nog geen Ladyshaves).

‘En hij lust geen kaas van de markt... Bespóttelijk!’

(Vond ik trouwens ook).

Op visite in Den Bosch.
Mijn moeder had haar zondagse jurk aan.
En zat op haar praatstoel.

‘Wat is er toch geméén volk op de wereld…!’
(Bekend intro. Ik wist al wat er nu kwam).

‘Vorig jaar had Gerrit een vúúrnieuwe regenjas.
En wat dénk je…? Even later: wég!
Weet je wat er voor in de plaats hing….?’

De nicht moest haar het antwoord schuldig blijven.

‘Een oud, vies ding…! Met een vétte kraag!’

‘Nee, ze weten wél wat ze achterlaten, dat begrijp je…’

De nicht zei niks en liep naar achteren.

Even later kwam ze weer terug.
Met, op een hanger, een regenjas.
Die hield ze omhoog.

‘Is het déze soms…?’

‘Já… Hoe kán dat….?!’

‘Die hangt hier al zeker een jaar aan de kapstok.
En die van Thijs is sinds die tijd al kwijt!’

(Tegen m’n vader):
‘Je hebt dus zélf de verkeerde gepakt, Gerrit!’

(Tegen m’n moeder):
‘Was die kraag nou écht zo vettig…?’

‘Viel eigenlijk wel mee….’


K(n)apper

‘Môghe’.
Verder zei mijn vader heel weinig, toen ik die zaterdagochtend naar beneden kwam. Hij leek ergens mee te zitten.

Het viel me op dat hij een vers (opgeschoren) kapsel had. Alleen bovenop stond (en lag) nog wat haar.
Mánnelijk’, noemde hij dat zelf.

Mijn haar hing tot op mijn schouders. Dat vond hij minder mannelijk.
En daar had hij een punt.
Dat was me pas nog pijnlijk duidelijk geworden. Een klasgenoot van de MEAO had me grinnikend verteld dat zijn moeder mij op de klassenfoto had aangewezen:
‘Dát lijkt me nou een lief meisje!’

We waren allebei klant bij Piet de Kapper.
Die wist precies hoe ik het wilde hebben. Maar op een keer (járen daarvoor) leek hij de kluts kwijt te zijn. Resoluut knipte hij er toen opeens een heel stuk af.

Toen ik daar bij mijn moeder m’n beklag over deed, kreeg ze argwaan. Een paar dagen later kwam de aap uit de mouw. M’n vader had met Piet gesproken:
‘Van de week komt die van mij weer. Wél flink wat kórter nou, hè…?’

Daar was mijn moeder best nijdig om geweest: ‘bemóei je er niet mee!’ (Zíj deed de opvoeding).

En volgens mij vond ze het eigenlijk ook wel mooi.
Zelf had ze recht haar, dat elke zaterdagmiddag in de rollers moest worden gezet. Bij mij kwam er op een bepaalde lengte, (zoals zij dat noemde) ‘slág’ in m’n haar.
‘Bij hém wél!’, had ze al een paar keer gezegd.
(Daar proefde ik afgunst).

De deur ging open. Mijn moeder kwam binnen met de koffie.
‘Heeft-ie het al vertéld…?
Nou, je vader heeft het vanmorgen weer begááid hoor, bij de kapper! Och, och, óch, toch…!’
Mijn vader zat er wat verlegen kijkend bij. ‘Hoezo…?’, vroeg ik. Mijn moeder schoot in de lach. ‘Vertel het trouwens zélf maar…’‘Tsja…’ Ook mijn vader begon nu te grinniken. ‘De kapper heeft een nieuwe assistente.
Toen die even wegliep, zei ik: de vórige was knapper, Piet!

Hij zei: o, vind je dat…?
Dat was mijn zuster…
Dít is m’n vrouw.

Sodejú!’





Taalles

We waren net terug van onze adoptiereis. Het aankomstkaartje van onze  dochter had ik in concept opgesteld.
 
 
Alles netjes uitgeschreven, op een dubbelgevouwen A4-tje. Om elk misverstand te voorkomen, had ik zelfs de olifantjes er nog bijgetekend. (Nogal stuntelig, dat geef ik toe. Maar dat gaf niet. Op het ‘blanco kaartje uit het boek’ waren ze al in zilver voorgedrukt).

Bestellen in de winkel kon niet. (Want die bestond niet meer). Aan huis nog wel.

Ik belde aan, de deur ging open. ‘Wacht, ik zet even de stofzuiger uit’. De vrouw trok de stekker uit het stopcontact. Ik vertelde haar wat de bedoeling was.
 
 
Leunend tegen de deurpost keek ze even ingespannen naar het papiertje. ‘Ik snap het’.

‘Precíes zoals het er staat, hè…? En de olifantjes dus op díe plaats!’, zei ik tobberig.

‘Ja, ja… Maar bij ‘Sri Lanka’ moet nog wél een ‘e’.
 
En ‘Colombo’ moet natuurlijk ‘Columbo’ zijn…
 
Maar dat komt allemaal wel goed!’
 


Retteketet

Een oproerkraaier ben ik nooit geweest. Ook geen ordeverstoorder. (Was eerder op het schijterige af). Ben bijvoorbeeld dus nooit de klas uitgestuurd. Wel uit een winkel.
Want ik was brutaal geweest tegen de uitbater.
Hoe oud ik toen was? Half in de vijftig, schat ik.
Het gebeurde bij een bekende beddenzaak. Aan het eind van een werkdag wilde huisgenote C ‘graag nog even naar Gorcum’. Om een dekbed te kopen.
‘Liggen daar bovenin’, zei de beddenman vanachter de toonbank. Hij ging door met waar hij mee bezig was.
‘Waar dan precies?’, vroeg C.
‘Nee niet daar…, dáár!’ Hij wees naar een hoge stellingplank, achter in de zaak.
‘Kan jíj er soms bij…?’
Ik wilde in haar richting lopen, maar zag dat een stapeltje textiel van een schap dreigde te vallen. Schoof het wat meer naar het midden van de plank.
‘Wilt u daar alstublieft van áfblijven!’
‘Kom, we gaan weer’, zei ik tegen C.
We liepen naar de uitgang. (Zwaar verontwaardigd:) ‘Ik legde alleen maar wat recht, hoor!’
‘Weet u wel hoe drúk ik het vandaag heb gehad….?!’ (Nee, dat wist ik niet).
Inmiddels stond C. buiten en had ik de deurklink al vast. ‘Een cursusje klantvriendelijkheid kan geen kwaad, lijkt me…’
‘Ga de winkel maar uit!’, riep de man. Met een priemende vinger wees hij naar de deur. (Waar ik al stond). ‘Gá d’r maar úit!’
‘Man, ik ga al… Ú stuurt ons trouwens niet weg! Wíj lopen nu kwaad weg!’
‘Hoorde ik dat nou góed?’, vroeg C., toen ook ik inmiddels weer buiten stond. ‘Zei jij net écht tegen hem: ‘wij lopen nu kwaad weg…?!’
‘Wat had ik dán moeten zeggen…?’
Proestend liep ze naar de auto.
 


Dienstplicht

‘Gij onbekeerden in ons midden…
Heeft deze prediking een huivering bij u teweeggebracht…?
Voelt ge thans een huivering aan uw hart…?
Dan is dat een heilige huivering…!
Een héilige huivering, opdat…’

In deze trant ging de voorganger nog een tijd door. Hij hing inmiddels half over het spreekgestoelte. Steeds was hij even stil, om daarna zijn woordenstroom weer met dubbele kracht aan te zetten.
Vurige prediking. Tijdens een feestelijke gebeurtenis. De opening van een nieuw kerkgebouw in kerk(en)dorp W.
Ik mocht in de feestvreugde delen.

‘Het ging eigenlijk in golven’, rapporteerde ik na afloop terug aan huisgenote C.
‘Een soort overgeven met woorden…’

‘Gatverdamme! Hou’s óp, joh.’

‘Ja, dat dacht ik dus ook de hele tijd… Maar dat deed-ie niet.
Duurde bijna de hele avond: van zeven uur tot over tíenen!’

‘En daar moest jíj persé naar toe…? Jíj bent toch geen burgemeester…?’

‘Nee, maar die had een belangrijke afspraak’. (Met zijn caravan, hoorde ik later).

Een paar jaar later hadden de burgemeester en ik het pluche alweer verlaten.
Zijn opvolger was ook uitgenodigd om ter (zelfde) kerke te gaan. Samen met zijn eega.

‘Moet je wél een hoedje op natuurlijk’, had hij tegen haar gezegd.

‘Nou, dat viel niet goed, hoor! Lógisch natuurlijk…’, vond hij. (Want hij was een stuk nieuwerwetser dan z’n ambtsvoorganger). ‘Maar ja…, het moest nou eenmaal’.
‘Komt ze daar even later de trap af met zóó’n kort rokje!’ Met brede gebaren wees hij naar een plek op zijn broek. (Net iets onder de plaats waar de romp van naam verandert).
 
 
Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Ik zeg: dat kan natuurlijk écht niet!!’

‘Zij terug naar boven. Nóg harder mopperend, dat begrijp je’.

‘Komen we daar aan, nog net op tijd, gelukkig’.
‘Dag burgemeester, wat een verrassing!’
‘Verrassing…? zeg ik. We zijn toch uitgenodigd!’

‘Waren we dus in de verkéérde kerk…!’

En ook dáár was sprake geweest van nogal wat verbale turbulentie. (Begreep ik uit de rest van zijn verhaal).
 
 
‘Traone voor de Heer!’, zei hij met stemverheffing. ‘Tráone voor de Heer!!, daar blééf die man maar over aan de gang… En dat dúúrde, jongen!’

‘Weet ik. Maar hoe liep het nu af…?’

‘Tsja…, de maandag erna belde ik de scriba:
we zaten in de verkeerde kerk’.

 
‘Heb ik gehoord…
Geeft niks.
Aanstaande zondag hebben we weer een dienst’.
 

Onthulling

Hij stond bekend als een echte sierprater, de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Aan de paartjes die in ondertrouw gingen vroeg hij dan ook niet of ze familie van elkaar waren, maar:
‘Bent u aan elkaar geparenteerd?’

Een ‘bijna bruid’ verschoot van kleur.
‘Maar één keer hoor…’  

Verlegen lachend keek ze haar aanstaande aan.
‘Toch…?’


Zakenvrienden

Hij had handelsgeest, de nieuwe burgemeester.
Net als de gemeentebode.
Ze hadden elkaar dus al gauw gevonden.

De ambtswoning daar was veel groter geweest. Dus de burgemeester wilde nogal wat spulletjes kwijt. Dat kon via het sufferdje. Met mini-advertenties. Die waren gratis.

‘Kan ik natuurlijk niet zelf doen…, dat vinden de mensen vreemd’, vertrouwde hij de bode toe.
 
‘Kunt u dat voor mij regelen? Hoeft niet voor niks. U krijgt tien procent’.
De bode vond het een hele eer.

Niet lang daarna stopte de volgeladen Volvo voor zijn woning. De inhoud werd in zijn garage gezet. Dat herhaalde zich nog een paar keer.

Van elke lading kregen wij, als de bode onze koffie inschonk, een korte update.

‘Waar bén ik aan begonnen!?’, zei hij na een paar weken.
 
‘M’n hele garage ligt al bijna vol… En verkopen, ho maar… Allemaal ouwe troep!’

‘O ja, joh…?’ (Vroeg ik, om hem nog wat verder uit te horen).
 
 
Hij keek me met een verontwaardigde blik aan. ‘Niet te gelóven, man… Komt-ie zelfs met een oude WC-bril aanzetten! Ik zeg: kóm nou! Die ga ik echt niet in dat krantje zetten... Die flikker ik zélf ook altijd weg!’

Er klonk een gesmoord gelach. (Want inmiddels luisterde de hele afdeling mee).

‘Weet je wat-ie toen zei…?’ (Hij ging nu gemaakt deftig praten). ‘O, ik dacht dat u daar nog wel een rijksdaalder voor kon vragen…’
 
 
Hij tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd.
 
‘Een rijksdáálder…!’

‘Véél meer vragen, man!’, riep iemand.
 
‘Maar dan moet je er wél bijzetten: Uw burgemeester heeft er nog op geschxxxx!’ (Censuur).
 
 
Epiloog
 
 
Hoe het nou afliep…?
 
 
Een snelle rekensom leerde dat de bode van die 10% provisie niet echt vet zou worden.
 
Maar dat maakte de burgemeester bij de eindafrekening goed. Hij mocht ook de onverkoopbaar gebleken bloempotten houden.
 
(‘Bijna allemaal van die aftandse oranje binnenpotten…’, zei hij tijdens de eerstvolgende koffieronde).
 
 
Een tijdje later stond de burgemeestersvrouw voor zijn deur.
 
‘Misverstand. Ik had ze al aan een vriendin beloofd’.

Wegwijzer

Mijn studie Mavo zat er bijna op. ‘Weet je al wat je hierna gaat doen?’, vroeg mijn mentor.
Nee dus.

‘Overleg dan maar met onze decaan, meneer van Roekel’.

Een paar dagen later trof ik hem op het schoolplein. Rijdend op zijn met twee fietstassen behangen opafiets.
Behendig laveerde hij tussen de scholieren door.

‘Meneer!’, riep ik.
‘Ja….?’
Hij remde meteen wat af en keek vragend in mijn richting.
Ik haalde hem vrij snel in en liep toen op een sukkeldrafje naast hem.

‘Naar welke school kan ik hierna het beste gaan?’
‘De Meao!’*
‘Maar ik heb nog nooit boekhouden gehad…’

Inmiddels naderden we de poort. Met een sierlijke bocht reed hij het schoolplein af.
‘Dat leren ze je dáár wel!’, riep hij me nog bemoedigend na.

‘Dat zal dan wel…’, zei mijn moeder. Toen ik haar van de uitkomst van dit consult op de hoogte bracht. ‘Maar als ik het goed begrijp, adviseert hij je dus om gewoon in Sleeuwijk op school te blijven…’

Klopte als een zwerende vinger. (Met de kennis van nu: ‘Hij van WC Eend…’)

Zelf dachten we eigenlijk meer aan een ‘tweede Havo-poging’. Dan zou ik weer naar Gorcum moeten. Ik had daar al eerder een jaar (met slecht gevolg) doorgebracht. ‘Vreemd…’, verzuchtte mijn moeder halverwege dat jaar, ‘…een school waar je helemaal geen huiswerk hoeft te maken…’

Het werd dus de Meao.
Voor mijn eerste repetitie boekhouden had ik een 10.
Daarna kwam ik al snel in de rode cijfers terecht.

Eén keer leek ik nog een opleving te krijgen.
Minzaam lachend gaf de boekhoudleraar me toen mijn repetitieblaadje terug.
‘Hónderd procent beter dan de vorige keer!’

Hoopvol keek ik op mijn blaadje.
Ik had een 2.

* Middelbaar Economisch en Administratief Onderwijs.

Hoe genaamd

Breedlachend stapte de nieuwe collega op me af.
‘Ha die Ad!’
‘Hoi …’
Geen idee wat zijn voornaam was.

Z’n achternaam was nogal ongebruikelijk, dat wist ik nog.
O ja: Konijn.
Ga natuurlijk geen ‘Hoi Konijn’ zeggen.

Even later ging de presentielijst rond.
Geen Konijn te bespeuren.
Wel een Wortel.

‘Weet je nou inmiddels ook z’n voornaam?’, vroeg een andere collega later.
‘Willie toch…?’
‘Néé joh!’



Pineut

Een tijdje lang was ze bij ons kind aan huis.
Voor haar opleiding moest ze een paar maanden stage lopen.
Ze koos voor een kledingwinkel.

Al na een paar weken zat ze weer thuis.
‘Hoe kwám dat nou, joh?’, vroeg huisgenote C.
‘Ze kregen me niet gemotiveerd, hè…’



Over zicht

Jarenlang heb ik er tegenaan gekeken. Het stond op het boekenrekje van mijn moeder. Tussen nog wat andere werken uit de Spiegelserie. ‘De seizoenen van het leven’, van Weija Bergman.

‘Het boek biedt ontspanning, maar laat ons ook nadenken over enkele uiterst gewichtige levensvragen’, aldus de uitgever. (Zomer & Keuning te Wageningen).

Gelezen heb ik het nooit. (Alleen maar van kaft tot kaft). Toch kreeg ook ik, denkend aan dit boek, een diepere gedachte. En dat werd tijd ook. Want, als ‘midden zestiger’, zit ik al dik in het stookseizoen.

Ik vroeg mij af waarom je, in eigenlijk al die vier levensseizoenen, bepaalde mensen opeens weer tegenkomt. Mannen of vrouwen die je al jaren niet meer hebt gezien. En daarna ook weer jarenlang niet. Maar dan opeens weer wel. Enz., enz.

Zelf heb ik dat met een BW-er (Bekende Werkendammer). Laat ik hem om privacyredenen maar Daan van den Keuvel* noemen. Ik zag hem voor het eerst op ‘De Wegwijzer’ in Sleeuwijk. Daarna kwam ik hem tegen via m’n werk. Want we hadden dezelfde roeping. (Om ambtenaar te worden). En later weer in de dorpspolitiek. Zo’n dertig (!) jaar geleden bekleedden wij hetzelfde politieke ambt. En sinds ongeveer anderhalf jaar is dat eigenlijk weer zo. Maar nu in de luwte. (En onbetaald).

Hebben wij in al die jaren ‘uiterst gewichtige levensvragen’ uitgewisseld? Ben bang van niet. Wel kijk ik met veel plezier terug op de onderlinge contacten uit ons hoogseizoen. (We waren toen halverwege de dertig). Eén gesprek is me altijd bijgebleven:

Hij: ‘Vrijdagsavonds  ga ik altijd naar de sauna. Dan kom ik echt tot rust, man. Krantje erbij…’
Ik: ‘Kan jij lezen zonder bril, dan…?’

‘Die hou ik gewoon op’.
‘Echt waar?!’
‘Waarom níet…?’

‘Dus dan zit jij daar iedere vrijdagavond…,
in je blote kont…,
met je bríl op?!’

‘Ja, wat dan…?
Anders zie ik geen reet!’


* (Zijn echte naam is bij de Sijtredactie bekend).


 

(L)On(g)gein

Humor op de afdeling Longgeneeskunde.
‘Straatnaambordjes’ in de gangen.
Met opschriften als Blaaskade en Long Plaza.

‘Wij láchen joh, in die wachtkamer’, zei ik thuis, tegen huisgenote C.
‘Toch miste ik er nog eentje: Luchtweg’.
‘Met of zonder spatie?’



‘Zang van de Hang’

Onze vrouwen waren er lid van. De ‘Jaarvergadering’ kwam weer in zicht. In ’t Uivernest. Een gezellige avond, met ‘levende muziek’ (door een bandje) en verschillende komische nummers (van eigen fabricaat).

‘Dit jaar moeten wij ook eens meedoen’, vond mijn ene schoonzuster. ‘Wíj zijn altijd zo saai…’ Mijn andere schoonzus en huisgenote C. sloten zich daarbij aan.

Wat later kwamen de dames op een nog beter idee. Mijn twee broers en ik werden als vrijwilligers aangewezen. Om ‘ook eens een keer wat leuks te doen’.

Leen, mijn jongste broer, wist meteen al wát: de overhemdentruc! Chris en ik zouden het onder ons colbertje te dragen overhemd zó draperen, dat alleen het bovenste knoopje dicht was, en onze armen níet in de mouwen zouden zitten. Leen zou, vanaf het podium, vrijwilligers naar voren roepen. Die werden dan gevraagd hun stropdas af te doen. Leen zou hun bovenste knoopje losmaken, ze bij hun overhemdboord pakken en dan, met één zwierige armzwaai, hun overhemd uittrekken.
Afgesproken. Succes verzekerd!

‘Dan moeten jullie natuurlijk wél meteen reageren, hè!’, zei hij een week later tobberig. ‘Anders komt er iemand ánders naar voren, en sta ik voor lul’.
‘Och, we zien wel hoe het loopt…’, zei Chris grinnikend. ‘Ná u!’, voegde ik er (met een galant handgebaar) nog jolig aan toe.
De grap viel niet goed. ‘Zíe je wel…! Ik verdóm het ook!’
Hoe we ook praatten (‘was maar een grapje, natúúrlijk doen we dat niet’, enz., enz.): de voorstelling ging níet door.

Goede raad was toen duur. (En de tijd nog maar kort). Uiteindelijk werd het een soort interactieve quiz. Leen zou de vragen stellen. Chris en ik zouden regelen dat steeds twee groepen vrijwilligers uit de zaal ze beantwoordden. De groepsleden kregen daarvoor een groot bord, met daarop één letter, om hun nek. De groep die als eerste het juiste antwoord wist, en de letters in de goede volgorde had staan, was de winnaar.
Zo gezegd, zo gedaan. Het liep die avond allemaal als een tierelier. De zaal deed goed mee, vrijwilligers genoeg.
Om de bedoeling goed duidelijk te maken, deden we eerst een (uit mijn brein ontsproten) voorbeeldvraag: ‘Hoe heet de quizmaster?’
Chris hing snel een ‘L’ om zijn nek, Leen en ik allebei een ‘E’, en iemand anders nog een ‘N’. Daarna gingen we zo gauw mogelijk op een rijtje staan.

Opeens grote lachsalvo’s vanuit de zaal. Vooral de drie schoonzusjes leken het niet droog te kunnen houden. We keken elkaar trots, maar ook lichtelijk verrast aan.

Mijn huisgenote C. wees naar de vier borden. Ik keek naar mijn buik, en toen naar die van de drie anderen.
Er stond ‘NEEL’.

Daarna hebben we geen variéténummers meer opgevoerd.
(De saaie schoonzusjes trouwens ook niet).


Startpagina                 Facebook                Emailen

                
      
Terug naar de inhoud